Welkom bij de homepage van Louis en Rie

Home

Links

Stamboom Colin

Laatst bijgewerkt: 23 Juni, 2010

 

Louis Dörr biografie

Inleiding

Het is mijn eerste dag dat ik alleen achter de computer zit. Deze computer heb ik van mijn kinderen en kleinkinderen gekregen.

Ik vertelde altijd maar verhalen over vroeger en dan riepen mijn kinderen steeds: (waarschijnlijk om van mijn “gezeur” af te zijn) Pa schrijf het op, zodat je klein- en achterkleinkinderen het later ook kunnen lezen '.

Wat begon als een grapje werd serieus en binnen de kortste keren was ik inderdaad notities aan het maken, wat ik allemaal moest vertellen (opschrijven). Toen ik thuis kwam uit Italië, stond er al snel een computer om alles in te verwerken.

Ik moet nog wel vaardigheid op de computer krijgen, maar dat komt nog wel. Het boek dat ik ga schrijven gaat over de periode 1929 tot heden, eerst van vóór de oorlog, daarna in de oorlog en als laatste na de oorlog. 

wNiet denken, allemaal narigheid, want 90% is bedoeld om te lachen. Daarna volgt de periode na 1945, daar is veel over te vertellen.

Vervolgens militaire dienst, Rietje leren kennen, P.T.T., vrachtwagenchauffeur - monteur, Oving, pensioen en vakanties.

Louis (ik) werd geboren op 9 Februari 1929 in de Quellijnstraat 52 te Amsterdam en was één van de zes kinderen van Marinus Johannes (Rinus) Dörr en Petronella Johanna (Nel) Swart.

De andere kinderen zijn: Nel, Anne, Joop, Clara, en Rob.

Ook was er nog een opoe (…. de moeder van Rinus) die boven woonde, maar hoorde er ook bij. Dus waren we met 9 personen totaal en dat allemaal op een halve woning.

De vier oudste kinderen sliepen op zolder. Daar was een badkuip met afvoer in de dakgoot. Warm water ging met emmers naar boven. Eerst werden de kleintjes gewassen en dan de groten. Op zaterdagavond was het altijd pret, alleen in de winter was het erg koud.

Wij hadden een volkstuin waar nu de Vrije Universiteit is. Zelf woonden wij in de Quellijn straat, dus dat was wel een uur lopen, want fietsen hadden we niet. Op 1 mei gingen we naar de tuin en bleven daar tot september, maar moesten elke dag naar school (lopen).

Tante Truus (een zuster van Rinus) kwam dan wel eens naar ons toe en bracht dan altijd een Verkade reep voor de kinderen mee. Rinus had een motorfiets, maar wij moesten lopen. Toen wist je niet beter. Ik heb aan die periode een goede herinnering overgehouden. Wij sliepen ook met 8 man op de tuin, de zes kinderen sliepen apart in een soort kamertje. Ik zal heus niet klagen want menig kind ging niet met vakantie. De jongens moesten schoenen poetsen (elke dag) en de meisjes moesten afwassen en meehelpen met het huishouden. Clara en Rob waren nog te klein.

Ook moesten wij leren zwemmen in het De Mirandabad, weer twee maal per week een half uur lopen. Er was een muziekvereniging, waarin ik wilde meespelen. Alleen de boemketel was nog vrij. Dus moet je je voorstellen, een jongen van negen jaar met zo'n zwaar instrument, maar al zeg ik het zelf, het ging goed. Toen kwam er een concours, dat was in de Spaarndammerstraat, dat is een heel eind met een boemketel. Ik schrijf dit, omdat je later in dit boek nog iets over lopen leert.

Het was heerlijk op de tuin, tot op een morgen vroeg er geschoten en gebombar deerd werd. Dat was niet zo leuk, Rinus zei, dat zijn oefeningen. Maar Nel zei ik ga naar huis. Het was namelijk 10 Mei 1940. De oorlog was begonnen. Wij zaten op de tuin erg dicht bij Schiphol, dus erg gevaarlijk. Wij naar huis, want daar was het toch veiliger dan op de tuin. Dat was voor de oorlog.

In de oorlog

De eerste jaren van de oorlog ging het nog wel. Rinus werkte bij de brandweer als chauffeur en in zijn vrije tijd bij een boer in Hoofddorp voor het repareren van landbouwwerktuigen. Hij was chagrijn en een rare vogel, maar een prima vakman. Nel was een hele lieve moeder voor iedereen.

Alle kinderen moesten van Nel een instrument leren bespelen en een vreemde taal leren. Het zal ongeveer 1942 geweest zijn, dat mijn zuster Nel verkering kreeg met Henk Vos . Zij ging al vrij snel de deur uit. Datzelfde jaar ging ook Anne de deur uit en wij verhuisden van de Quellijnstraat 52 naar de overkant, Quellijnstraat 25.

Daar hadden wij een voorkamer twee tussenkamers en een achter kamer, een keuken, een badcel en een grote tuin.

Een hele vooruitgang dus. In de tuin kwam ook een werkplaats te staan. Dat klinkt misschien raar dat ik dit allemaal vertel, maar dat is nodig voor de rest van het boek.

Het zal ongeveer 1943 zijn geweest, dat ik op de Ruysdaelkade aan het spelen was, toen ik mevrouw van Gigh zag lopen, zij liep te huilen (vanaf nu heet zij tante Loes). Van Gigh is een echte joodse naam en dat was toen gevaarlijk. Haar man heette ook Louis en ik ben naar die twee vernoemd. Nu terug naar de Ruysdaelkade, ik rende naar huis en zei tegen Moe, “tante Loes loopt te huilen”, wist ik veel. “O, ga haar maar snel halen voor een kopje thee en denk erom dat je haar meeneemt ” zei moe.

Alles wat moe zei moest je doen. Dus ik terug en haar meegenomen (toen was Rinus al tien jaar bij de brandweer) maar Rinus deed nog wel eens een karweitje voor haar. Toen bleek, dat ze haar huis aan de Vossius straat had verlaten i.v.m. de Duitsers. Zij had een waarschuwing gekregen van de Joodse raad. Die waarschuwden de rijke joden en ze stelden een lijst samen van de arme joden (die ze later aan de Duitsers gaven) ze heten dan ook later Joods ver raad , bij de joden.

Dus tante Loes dook met haar man Louis bij ons onder. Zij kregen de voorkamer, Rinus en Nel de achterkamer, Joop en ik de tussenkamer en Clara en Rob de andere tussenkamer. Opoe was ondertussen overleden en waren we op dat moment weer met zeven man.

Eénmaal per week moest ik voor tante Loes naar de Binnen Bantammerstraat om eten te halen; jam, ontbijtkoeken, chocolade enz.. Denk je dat we daar iets van kregen? We kregen er helemaal niets van .

De Duitsers hielden vaak razzia's. Dan belden zij aan en riepen: “ Sind hier juden ”, maar moeder was brutaal en zei dan, “nee sodemieter op”.

Met boemketel wordt de grote trom bedoeld.

De vader van Henk Vos had een expeditiebedrijf op de Herengracht

Louis van Gigh heeft in 1941 zelfmoord gepleegd.

3 generatiesRinus had zijn uniform bij de deur hangen, “ Was ist das für einen uniform “ Moe weer, “ brandweer en sodemieter nou op !” en wat denk je? Ze dropen af. Dat is verscheidene keren gebeurd.

Toen werd het licht afgesloten door de Duitsers. Rinus ging samen met Joop carbidlampen maken en ik moest de materialen halen op het Waterlooplein. Alles lopen. Moe verkocht carbid én sigaretten van de buurman, die op een sigarettenfabriek werkte.  Toen er geen carbid meer was en ook geen kolen, gingen we noodkachels maken van de oude carbidvaten. En geloof me, het liep als een trein.

Toen het nog erger werd besloot ik, samen met mijn vriend, naar het noorden te gaan. Ik kreeg van moeder wat brood mee en wij op stap. In één dag naar Amersfoort, 50 km , daar ergens bij een boer in het hooi geslapen en de volgende dag weer verder, tot Zwolle. Opeens had ik geen zin meer en wilde naar huis, na 20 km kwam er een Duitse auto aan en de bestuurder vroeg of dit de weg was naar Amsterdam. Ik zei ja, maar ze vertrouwden mij niet en ik moest boven op het voorspatbord (met een koplamp tussen mijn benen) uit kijken voor vliegtuigen.

Toen ik het na 30 km niet meer uithield van de kou en mijn hand opstak, stonden ze meteen stil en dachten dat er gevaar dreigde. Ik mocht verder achter in de laadbak meerijden, waar heerlijk versgebakken Duits brood inzat. Eerst wilde ik nog een brood stelen, maar iets in mij zei dit niet doen. Toen we in Amsterdam aankwamen, moest ik mijn jas losmaken, of er geen brood onder zat. Toen dat niet het geval bleek te zijn, kreeg ik een heel brood van ze omdat ik zo eerlijk was. Ik naar huis, moe maar blij, want we hadden toch weer twee dagen te eten.

Tante Loes had ƒ20.000 gulden in een elektrisch kacheltje verstopt, voor na de oorlog, zodat Rinus met zijn zoon een garage kon beginnen. Maar, aan het einde van de oorlog was het geld verdwenen, wie had dat gedaan? Rinus of tante Loes? We hadden een buurman die vertegenwoordiger was bij een speelgoedfirma. Die zette speelgoed in de dakgoot, gaf Nel een hint en dan zei moe tegen ons, “ik geloof dat Sinterklaas weer is geweest”. Of het nou April of Oktober was wij waren er blij mee.

Het was inmiddels 1943 en Tante Loes was naar een ander adres gegaan. Ook was mijn ambachtsschool afgelopen en moest ik gaan werken. Ik kwam terecht bij Groeneveld en van der Pol, (later Groenpol) waar Joop ook werkte, als leerjongen. Na drie maanden werd ik uitgezon den naar de N.D.S.M. scheepsbouw om te werken aan Duitse torpedoboten. Een Duitse marine officier hield toezicht. Als je goed werk had geleverd kreeg je een pakje sigaretten. Dat was wel leuk werk maar elke dag van huis naar Centraal Station en dan met het pontje naar Noord dat was niet zo leuk. Ik voldeed zeker goed want ik werd steeds overal naar uitgezon den.

Op zekere dag, wij stonden op de Papaverweg tegenover de Fokkerfabrieken, kwam er luchtalarm. Wij renden de fabriek uit en een eind weg. Joop zei: “ik ga een schuilkelder ma ken". Bij het vol gende alarm was de schuilkelder klaar. Maar het was mooi weer en wij wilden niet in de schuilkelder. Plotseling een paar grote knallen, de kerk op de Papaverweg was ge raakt, die stond 100 meter van de Fokkerfabriek af. (Groenpol 300 mtr. ) Wij terug naar Groenpol en wat denk je, ook een bom op Joop zijn schuilkelder. Zo zie je dat een eindje wandelen toch wel ergens goed voor is.

Er was steeds minder materiaal om te kunnen werken, dus werden wij op wachtgeld gezet. Ik verdiende ƒ10 gulden per week maar op wachtgeld de helft. Die gingen wij elke vrijdag lopend halen op de De Ruyterka de.

Bij ons in de straat was een stavenijs handel, die had voor de oorlog auto's gehad, maar die waren in beslag genomen door de Duitsers, dus ging hij over op pony paarden. Ik mocht dan met hem mee om op het paard te passen. Daar verdiende ik ook weer wat mee. Wim Steeg, dat was vroeger op de tuin mijn vriend, (we liepen dan ook samen naar school) ging bij de Duitsers werken, bij organisatie T.O.D.D. Dat was een soort werkkamp, om puin te ruimen als er een bombardement was geweest. Aan het einde van de oorlog kwam hij terug, maar daarover later. Joop was bij ons thuis ondergedoken (schuil plaats onder de vloer).  Mijn zusters Nel en Anne waren in de oorlog braaf geweest ten opzichte van de Duitsers. Toen dan ook de oorlog was afgelopen ging Anne haar schade inhalen.

Na de oorlog

Toen de oorlog was afgelopen, was het natuurlijk feest in het land. Alles mocht, zo als moffenhoeren kaalscheren, dat was een heel naar gezicht, maar ze hadden het wel verdiend. De Canadezen en de Amerikanen kwamen over de Berlagebrug de stad binnen en iedereen mocht met de militaire auto's meerijden. Vooral de meisjes, die werden meteen gepakt en in de auto's gezet. Maar dat ging gewoon zo.

Ik was ook bij de binnen komst van de soldaten, maar zag meteen handel in sigaretten. Er werd gehandeld met pakjes en sloffen. Alles wat nog waarde had verruilde ik voor sigaretten en verkocht die dan weer met veel winst. Daarna ging ik naar het Waterlooplein en kocht daar horlo ges, die ik dan weer aan de soldaten verkocht. Zo verdiende ik een aardig centje bij.

Anne, mijn zuster, ging veel op stap met de Canadezen. Ze heeft er verscheidene leren kennen, als je begrijpt wat ik bedoel. Na een jaar leerde zij George kennen, een hele fijne kerel. Hij was kok in het leger voor de officieren. Later is zij met George getrouwd, alhoewel Rinus geen toestemming wilde geven.

Uiteinde lijk was ze 21 jaar en kon zonder toestemming trouwen. Nel vond het wel verdrietig dat ze er niet bij kon zijn, maar Rinus wilde het niet. George ging terug naar Canada en Anne volgde 5 maanden later.

Zelf ging ik weer aan het werk bij Groenpol en weer naar de N.D.S.M., maar nu aan het werk voor de marine,. Torpedobootjagers de Tromp, de Kortenaar en de De Ruyter, die kwamen uit de oorlog om gereviseerd te worden.

Op een keer, ik was natuurlijk op stap geweest de nacht ervoor, ging ik in de schoorsteen liggen slapen. Dat is een ruimte van zeker 6 meter in doorsnee, waar alle leidingen doorlopen. De schoorsteen zelf was maar 1 meter , dus om te slapen ruimte genoeg. Ik zal daar een uurtje hebben gelegen, toen ze gingen dagwateren om te kijken of alles waterdicht was. Nou dat was het en ik kon zwemmen. Die gasten van de Marine lachten zich rot.

Later brak er een staking uit onder de lassers die meer geld wilden. Zij mochten niet staken van de vakbond E.V.C., om dat dit een communistische vakbond was, maar daar kom ik later op terug.

Ik deed destijds veel aan judo en al zeg ik het zelf, ik kon er wat van. Ik judode samen met Wim Steeg. Ik werkte bij Groenpol, samen met drie vrienden en we haalden veel rottigheid uit. Dat waren Flip Hoppe, Wim Mos en Chris Wieseman.

wandelenOok deed ik veel aan wandelen, samen met Joop en Flip Hoppe. Met Flip en Joop, mijn broer, heb ik de 4 daagse uitgelopen, 50 km per dag.

Wij namen ook veel karweitjes aan, want alles moest vernieuwd worden. Toen hoorde ik dat het Leger des Heils een lokaal in de Reinwaardtstraat wilde inrichten. Of wij het elektra wilden doen.

Wij hadden er geen zin in, het kostte veel te veel vrije  tijd, dus vroegen wij de helft meer. Wat denk je? Of we het voor die prijs wilde doen, maar dan wel zo snel mogelijk, dus weg vrije tijd.

Nu moesten we nog aan materiaal zien te komen. Alles moest op een bon staan en geloof me, het geluk was weer met me. We kregen een klus in het Paleis op de Dam.

Er was geen vervoer, dus moesten wij zelf met een bakfiets het materiaal ophalen en wegbrengen.

Flip en ik zouden het doen. Wim en Chris begonnen in het Paleis. Wij gingen tegen schafttijd naar het magazijn van Groenpol aan de De Ruijterkade en vroegen of we de pijpen van 4 mtr vast konden opladen. Wij snel laden en weg naar de Dam, afladen en weer terug, met een lege bakfiets. Toen de magazijnchef van eten terugkwam, zei hij: “weet je wat jullie zijn, luie honden, jullie zouden die pijpen opladen”, dus wij weer pijpen laden. Maar nu rechtstreeks naar de Reinwaardtstraat, zo dat was verdient.

Op de Dam heb ik later nog veel meer beleefd, maar dat later. In tijd van drie weekenden was het karwei geklaard, maar toen moesten er op elk tafeltje een lampje komen te staan en of ik die ergens te koop wist. Nou dat wist ik wel. Ik naar een zaak toe en gezegd dat ik 10% wou, 40 lampjes was een hoop geld, maar de Kapitein van het leger des Heils wilde alleen de duurste hebben, dus dat kwam voor mij goed uit. Dat geld hadden ze beter aan arme mensen kunnen geven.

Flip zijn vader en moeder waren lid van Amstels werkman, dat was een toneelvereni ging en die gaven om de 14 dagen een uitvoering in Krasnapolsky. Het begon dan om 20.00 uur tot 24.00 uur en dan dansen tot 4 uur in de morgen. Daarna moesten wij nog werken. Op Zaterdag tot 13.00 uur.

Flip had elke week een andere griet, ik leerde veel van hem. Als hij een grietje leerde kennen zei hij, “Ik breng je vanavond naar huis en ik neuk je” en geloof me de meeste grieten zeiden nog ja ook. Ik deed dat ook wel eens maar 9 van de 10 keer kreeg ik een lel, maar ik neukte ook wel eens. Als we dan uitgedanst waren en er was geen afspraakje, dan liepen we naar Flip zijn huis met ze allen (via de Kalverstraat – Heiligeweg – Leidsestraat – Vondelpark – Amstelveenseweg naar de Turner straat).

Dan kon ik nog net een kopje koffie drinken, en dan via de Apollolaan naar huis, waar ik nog net voor 7 uur mijn bed in kon duiken, voordat Rinus wakker werd. Eén keer zou ik een griet naar huis brengen ik vroeg: “waar woon je?” “In het Vogeldorp”, zei ze. Wist ik waar het Vogeldorp was? Nu weet ik het. En wat denk je, niks te wippen.

Wij gingen ook 1 week per jaar met ons vieren op vakantie, liftend naar Lim burg. Het brood was toen nog op de bon en op een bon kreeg je 16 kadetjes. Dus wij bij een bakker brood gehaald, maar niets te drinken. Aan de overkant van de straat hing een vrouw uit het raam en Flip zei “Heb je geen koffie?” “Ja hoor, kom maar boven”. Nou voordat wij ons brood op hadden, was Flip alweer aan het wippen. Op een keer konden wij geen lift krijgen, maar daar kwam een boerenkar aan. Wij erachter aan, rugzak in de bak en wij erop. Laat het nou een mestkar zijn! Met recht stonken wij als een beerput. Meestal sliepen wij bij een boer in het hooi, maar op een avond geen boer, nou dan maar slapen in een greppel. Wij hadden een waterdichte soldaten slaapzak. De volgende morgen lagen we in een sloot. Met 10 gulden vertrokken en met 5 gulden weer thuis.

Het zal ongeveer 1947 zijn geweest toen Flip in dienst moest bij de Marine. Chris bij de luchtmacht en Wim bij de landmacht. Flip ging van kazerne naar kazerne, Chris kreeg verkering met Truus. Haar ouders stonden op De Franse Kamp. Ook Flip zijn ouders stonden daar en wij sliepen daar wel eens. Wim moest naar Indonesië, maar dook onder bij Flip zijn ouders, werd verraden en ging de lik in. Daarna werd hij tewerkgesteld bij de P.T.T. telefoon dienst. Chris ging naar de Amsterdamse bank [Amro] bij de technische dienst. Flip kwam ook bij de P.T.T. afd. Telex. Ik werkte overal, Centraal Station, Amro bank, Rembrandsplein, Sarphatiestraat en de van Baerlestraat. Daar was ik ook aan het werk, toen tante Loes geld ging halen en mij zag. Ze vroeg hoe het met mij was, gaf me een hand en er zat 10 gulden in, ik dacht die krijgt wroeging.

MotorfietsRinus had motorfietsen laten onderduiken, één voor hem zelf (een Gillet) voor Joop ook een Gillet en voor mij een….. Brooks-Superium.  Ik was ondertussen 17 jaar geworden en moest mijn rijbewijs gaan halen. Er waren toen nog geen lesmotoren, dus moest je het zelf maar leren. Ik slaagde de eerste keer.  Toen moest ik de hele motor slopen en weer opnieuw opbouwen. Maar ik had een motor.  Ik heb jullie verteld dat ik van Nel een vreemde taal moest leren, het werd Engels. Toen ik dan ook weer eens bij de N.D.S.M. op een Noors schip werkte, kwam mijn Engels goed van pas. Er was daar een matroos van ongeveer 17 jaar, die alleen maar Noors sprak en aan iedereen vroeg: “ Fersoreke Norske ” [versta je Noors]. It Grunbloem Thobaldus .  Maar niemand sprak Noors, wat zielig hé. Met handen en voeten sprak ik met hem in het Engels. Toen begreep ik waarvoor ik Engels geleerd had.

Ik werd veel door de politie aangehouden, die naar de papieren vroegen en hoe of ik aan die motor kwam, want er reden niet veel voertuigen. Ik werd daar woest over. Henk Vos kocht van het leger twee legerauto's, voor zijn expeditiebedrijf maar die liepen niet. Rinus maakte de motoren los met petroleum en spiritus, want kruipolie bestond er niet en maakte er een huif op van plaatijzer. Rinus had er veel geld ingestoken, maar Henk had geen geld en ik denk ook dat hij dat heeft teruggekregen.

Ik was op judo nog al goed en woog bijna 90 kilo . Met Wim Steeg gaf ik veel demonstraties. Wim, tenger en klein en ik groot en fors. Het was natuurlijk mooi als Wim mij in een maagworp nam en ik dan door de lucht vloog. Judo heette vroeger jiu jutsu. Maar Wim werd gemeen en deed mij steeds meer onnodig pijn. Ik had hem al een paar keer gewaarschuwd, maar dat had niet geholpen. Ik was ook niet zo lief, als ik wou winnen tilde ik hem op en dan kon hij niet veel meer doen.  Toen we weer eens een demonstra tie gaven in Krasnapolsky met nog meer clubs, zouden Wim en ik weer de maagworp demonstreren. Wim plaatste echter zijn voet te laag, boven op mijn jongeheer en ik ging vanzelf de lucht in en bleef daarna uitgeteld liggen. Ik denk dat dat het einde van de vriendschap was. Hij had met zijn teennagel mijn jongeheer geraakt en daar kwam een verzwering van en moest geopereerd worden. Dat heb ik geweten. Als er toen een vrouw voorbij kwam kreeg ik een stijve en kon ik het wel uitschreeuwen van de pijn. Dat was het einde van mijn judo en de zwarte band.

Rinus had zijn dochters en Joop veel geslagen en als Joop zat te lezen gaf hij hem een slag voor zijn kop en zei dan “ga werken”. Dat was niet leuk maar dat was gewoon dacht je. Ikzelf kreeg nooit een mep. Toen ik 6 maanden oud was, ben ik met mijn rechteroog op een elektrisch kacheltje gevallen, het licht was bijna uit mijn oog en ik moest een bril dragen. Als Rinus mij zou slaan, zou dat veel geld voor een nieuwe bril kosten, of een schuldgevoel, maar ik geloof dat ze daar niets aan konden doen.

Schippers onze buurman, zuiplap eerste klas, had een glazenwasserij en die had ik tijdens de oorlog weleens geholpen met opruimen en zo als er een bombardement was geweest. Ook een keer, er was een bom gevallen op een school waar de S.D. [Sicherheits-Dienst] in zat, Daar zaten gevangenen in van het verzet, die te veel wisten. Maar nu terug naar Schippers. Op een keer kwam ik met de fiets van mijn werk, toen ik Schippers tegen Joop hoorde schreeuwen: “ik sla je in elkaar”, Joop had zijn motor voor zijn deur gezet. Toen ik dat hoorde smeet ik mijn fiets op straat, “als je slaat, moet je het mij doen”. “Met jou vecht ik niet” zei hij, “jij vecht gemeen” en hij droop af. Alle buren lachten, dat Schippers zo bang was. Toen Joop weer eens een mep van Rinus kreeg, was bij mij de maat vol. Ik zei tegen Rinus: “zo dat is de laatste slag die jij hebt uitgedeeld”. Het was bekend, dat ik iemand invalide kon slaan. Vanaf die tijd was mijn eerbied voor Rinus verdwenen en was het afgelopen met slaan. Maar op zijn vrije dag zoop hij des te meer. Hij had dienst 24 uur op en 24 uur af.

Joop ging in dienst en kwam bij de Militaire Politie en ik zou ook gekeurd worden. In de Cabot school, dat was aan de overkant waar Rietje werkte, maar dat wist ik toen nog niet. En wat denk je, goedgekeurd!

Ik werkte destijds bij de Amro bank op het Rembrandsplein om in opdracht van Philips de eerste T.L. verlichting te instaleren, wat 6 maanden duurde. Wij werkten daar met 5 elektriciens. Eén van de jongens kreeg verkering met een koffiemeisje, maar waar moest je zoenen en wippen? In de lift leek de beste oplossing, tus sen de verdieping leek het beste om de lift stoppen, maar toen er een paar keer storing was geweest, gingen ze opletten. De lift stond weer een keer stil en toevallig kwam de Chef technische dienst langs. Hij maakte met zijn sleutel de deur open en het luik op de lift en daar stonden ze. Beiden werden ze ontslagen. Maar in die tijd was er werk genoeg voor vakmensen.

De militaire dienst brak aan en ik moest opkomen in Soesterberg, de Dumolin-kazerne, bij het Regiment Uitrustings Troepen. Daarvoor heette het Corps Uitrustings Troepen, maar dat kon niet, want dat is afgekort C.U.T., nu heet het de Intendance.

Wij werden klaargestoomd voor Indië. In 6 weken marcheren, schieten, Maleis leren en inenten. Dat was het ergste. De hele kamer lag doodziek, maar ik niet. Ik had van Joop geleerd dat je je moest bewegen en niet moest gaan liggen. Wij kregen dropping naar Brabant, in dichte auto's. Toen zei er een “Mokum, geef mij je mes” en hij sneed een gat in het zeil, zodat hij kon zien waar we waren. Wij werden gedropt met 4 man. Na een kwartiertje zagen wij een Jeep staan met de rugleuning vast aan het stuur, maar met een geweer was dat geen probleem dus rijden maar. Bij de brug van Vianen was de benzine op, dat was een Ponton brug. De auto hebben we maar laten staan en zijn verder gaan liften. Om 9 uur kwamen we terug op de kazerne en mochten meteen naar huis voor het weekend.

Sjakie lag bij mij op de kamer en was bij Bentveld gedropt. Hij liep weg bij zijn kameraden, zag een mooie villa belde aan en vroeg om een glaasje water aan het dienstmeisje. Zo zag ze eruit, maar het was mevrouw zelf. Die nam hem mee naar binnen en drie dagen later kwam hij terug op de kazerne. Hij zei: “Ik heb de hele weg gelopen”. Ze konden daar niets aan doen. Die vrouw was getrouwd met een kolonel van het leger, die was gesneuveld in Indië. Sjakie zag er wel brood in. Drie jaar later kwam ik hem in de stad tegen en hij was nog steeds bij haar.

Wij hadden een rot ser geant, die altijd op Amsterdammers loerde. Een dag na de dropping vroeg hij “wie heet er hier Mokum?” Nou niemand natuurlijk. We kregen weer een weekeind verlof en moesten zondagavond voor 23.00 uur weer terug zijn. Ik reed met de trein van Amsterdam naar Amersfoort en dan met de bus naar Soesterberg. Wij waren met 6 man en aan de late kant voor de bus. De laatste die instapte was de sergeant, maar toen was de bus vol. Hij zei nog: “als jullie voor 23.00 uur niet in de kazerne zijn, mo gen jullie volgend weekend niet naar huis”. Ik zei: “we gaan met een taxi”. Ik heb toen aan de chauffeur verteld wat er aan de hand was, en hij zei: “ik zal zorgen dat jullie voordat de bus aankomt, er zijn”. Toen we aankwamen hadden we tijd genoeg om ons af te melden en naar bed te gaan. Toen de sergeant dan ook kwam kijken, lagen wij al op bed en deden of wij sliepen. Later vroeg hij hoe of wij dat gedaan hadden.

Op een “ouderdag” leerde ik Rietje kennen. Rietje haar broer, Wim Bloemendaal , lag bij mij op de kamer. Rietje en haar vader bezochten Wim, maar bij mij kwam niemand. Ik hing uit het raam en Rietje en haar vader stonden op straat. Ze waren even groot en ik had sjans. Later zag ik hen weer bij de kantine en we hadden weer sjans. Ik vroeg aan haar of ik haar mocht schrijven vanuit Indië maar ze zei: “dat moet je aan mijn vader vragen”. Nou ik gaf hem een sigaret en hij zei ja. Hij dacht natuurlijk schrijven kan geen kwaad. Jaren later zei ik: “als je haar terugneemt krijg je een hele slof sigaretten”, “ja” zei hij dan, “maar dan wel met de kinderen”. Via een brief hadden we afgesproken, dat we elkaar voor het Centraal Station onder de klok zouden ontmoeten, maar er zijn twee klokken.

Dat weekend had ik eigenlijk geen zin en ik ging naar huis. Maar toen ik die zondagavond op de kazerne kwam kreeg ik de wind van voren van Wim. Ik zei meteen “ik stond onder de klok, maar je zuster niet”. “Onder welke klok stond je zuster? Er zijn er twee”. Nou zei hij, “dan gaan we zaterdag samen met de trein”, ik dacht dan moet ze wel aardig zijn als ze er weer staat. Als ik naast haar stond kon ze onder mijn arm doorlopen als ik op mijn soldatenschoenen stond. Ik vond haar toch wel aardig en we zouden ‘s avonds naar de bioscoop gaan. Het werd een heel leuk weekend. Ze bracht me naar de trein en we spraken af voor de volgende zaterdag. Er kwamen nog twee weekeinden, toen kregen we inschepingverlof.

Ik had die laatste zondag afscheid genomen van iedereen. We zouden die woensdag met de Johan van Oldebarneveld vertrekken naar Indië. ‘s Maandags moest ik op rapport komen. Zij wilden weten waarom ik links wel goed kon schieten maar rechts niet. Ik zei: “Nou omdat ik blind ben aan één oog”. Dat kon niet, want ik was toch goedgekeurd? Ik moest meteen naar Oog en Al in Utrecht. Daar kwamen zij er achter, dat ik inderdaad blind was aan één oog en werd meteen naar huis gestuurd. Ik had er toch al geen zin meer in om naar Indië te gaan. Er waren van mij drie bekenden in Indië gesneuveld.

Dus ik dinsdags naar huis, Rinus was thuis en werd kwaad “je bent een saboteur” zei hij. Nel daarentegen vroeg: “wat is er gebeurd?” Toen ik het vertelde, gaf ze me een dikke zoen en zei “ik dacht dat ik je kwijt was”. Dat was Nel haar reactie. Wim Bloemendaal ging wel weg naar Indië. Rietje was ook blij dat ik niet meer weg hoefde. Ik kreeg toen vaste verkering met haar en Rie en ik hadden veel lol samen en gingen veel uit. Ik vertelde haar dat ik een motor had en dat we een ritje gingen maken. Gelukkig hield ze van motorrijden.

Wij waren, toen ik nog in dienst was, vele malen in de Cadi club gaan dansen. De Cadi club stond waar nu het van Gogh museum staat tegenover het Concertgebouw. Maar geen soldaat, geen Cadi club. Toen we een tijdje met elkaar gingen, moesten we kennis maken met de ouders. Pa Bloemendaal was een fijne kerel. Ik heb tenminste nooit een fout woord met hem gehad. Rie haar moeder was in 1945 overleden en Rietje had een zuster die getrouwd was met Jaap wiens vader was overleden in de oorlog. Toen is Pa Bloemendaal samen gaan wonen met Jaap zijn moeder. Die heet van af nu Tante Mien. Zij was een rot wijf vond ik. Met Jaap en Sjaan konden we goed opschieten. Later pasten wij veel op de kinderen van Sjaan op zaterdagavond. Dan gingen zij naar de bioscoop en wij hadden dan een plek om te vrijen als de kinderen sliepen. Tante Mien had een dochter, Truusje, dat was een verwend kind. Voor haar werd haar kamer gedaan en gewassen, maar Rietje kon dat ‘s avonds doen als ze thuis kwam. Wij hadden een fijne verkering, vier en een half jaar.

Oog en Al is een militair hospitaal

Cadi, afkorting van CAntine DIenst

In die tijd ging ik ook mijn autorijbewijs halen. Bij het afrijden maakte ik er niets van en ik dacht ik ben gezakt. Toen hoorde je nog niet meteen de uitslag. Ik kwam ‘s avonds thuis en onder het eten vroeg Rinus hoe het was geweest en ik zei: “ik denk dat ik ben gezakt”. O ja, zei ik tegen Rinus, ik moest de groeten nog doen van meneer Koning de examinator. Dan ben je geslaagd zei Rinus. Dat is Joop de Vijgenkoning en inderdaad .. ik was geslaagd. Waarvoor ik toen mijn rijbewijs haalde weet ik niet, maar nu konden we met moeder en haar vriendin Juffrouw Friese en Rob autoritjes gaan maken. Wij huurden dan een auto voor een dag en hadden veel plezier.

Clara had vaste verkering met Wim Steeg, maar ze waren niet aardig. En dat lag echt niet aan ons. Bij Nel kon altijd alles. Als het regende zei ze “we gaan naar Zandvoort” en legde dan een deken op de grond en wij moesten dan picknicken. Voor het geld van de trein gingen we ijs halen. Rietje en Nel konden goed met elkaar opschieten. Zo goed dat ik van Nel op mijn kop kreeg als ik wat verkeerd had gedaan met Rietje. Tot moeders dood hebben die nooit ruzie gehad. Rietje en ik gingen veel op de motor weg.

Sjaan had een tenthuisje op De Franse Kamp en wij gingen daar ook veel naar toe. Ja ik kan wel zeggen wij hadden het goed samen. Wij hadden al een paar jaar verkering en we zouden ons bij Nel gaan verlo ven. We kregen woorden ergens over en toen plakte Nel een briefje op de lamp met het feest gaat niet door. Wij gingen ook sparen om te trouwen. Rietje werkte bij de familie Kok in de Marco Polostraat, vader moeder en twee dochters, Gretta en Ada. Rie moest helpen in de winkel, huishouden, naar school brengen en zwemmen leren. Ja dat waren de ouders van Ada Kok (de wereldkampioen vlinderslag later). Rie moest werken tot 18.00 uur en dat viel niet mee als je nog moest eten en je wassen. Maar omdat ze ook wel eens meer vrije tijd wilde hebben, ging ze werken bij Ronette een elektronisch bedrijf in de Willem Levendstraat.

Ik was gaan werken bij een kabelaanleg bedrijf in Oost. Daar werden telefoon en radiokabel aan- gelegd. Joop werd voorman van een ploeg en ik werd kabellasser. Ik moest dan wel een certificaat bij de P.T.T. halen. Toen ik daar een jaar had gewerkt was het karwei klaar. Joop ging naar het G.E.B., centrale Hemweg. Ik ging werken voor dezelfde firma in Grave, Noord Brabant. We moesten toen nog za- terdags werken tot 13.00 uur. In Grave werkten we elke dag een uur langer, want dan hadden we zaterdags vrij. We werkten toen nog 48 uur per week.

Wij kwamen terecht bij een weduwe en hadden het er goed. Ik ging om kosten te sparen met de motor, dat was 3 uur rijden. ‘s Zomers ging het wel maar ‘s winters viel het niet mee. 
Toen het karwei klaar was vertrokken we naar Druten. Daar werden we geplaatst bij alweer een weduwe. Er stond een lampetkan en als je daar een vinger instak had je smerig water. Lou had weer de grootste mond en ik belde de baas op en zei: “Ik ga in een hotel met douche, of ik ga naar huis”. Dus wij naar de Gouden Leeuw en daar hadden we het prima. Nel vond het maar niets dat een verloofd stel elkaar alleen in het weekend zag en daar had ze gelijk in. Ik was al anderhalf jaar onderweg.

Toen kon ik, omdat ik telefoon kabellasser was, bij de P.T.T. terecht, maar moest dan wel weer naar cursus. Ik kreeg een uniform en moest overal in de stad aansluitingen maken samen met Piet Loret, dat was mijn maat. Wij hadden een handkar met ons gereedschap erin, die elke avond naar een ander adres gebracht werd met een vrachtauto. Na een paar maanden moesten we op het Damrak bij het Victoria hotel beginnen, tot aan de Dam. Nou dat zijn heel wat aansluitingen. We moesten eerst een put graven en dan van binnenuit een gat boren. Toen waren er nog geen steenboren en moest je alles hakken met een beitel. Wij moesten één aansluiting per dag maken, maar dat haalden we makkelijk.

Piet had een motorfiets gekocht, maar daar mankeerde wat aan dus werd die gemaakt op het Damrak. Wij hadden een inspecteur op een motor die ons kwam controleren, maar wij konden goed met hem opschieten en die kwam dezelfde dag met een kapotte frictieka bel. Geen probleem die maakte ik wel even.

De volgende dag moesten wij weer eens op rapport komen. Ik zie Piet nog staan, met zijn alpino pet in zijn handen, hij draaide een shaggie en toen hij een sigaret kreeg aangeboden zei hij: “nee dank U”. Wij moesten een pet dragen. Daarop stond het aantal strepen waaraan je kon zien wat voor rang iemand had. Vandaar dat wij geen pet droegen. Mag ik vragen waar Uw pet is? Daar laten jullie ons toch niet voor komen? Brutaal was Piet wel, maar ook een prima vakman. Ja ziet U, wij hebben U laten komen omdat U op het Damrak een motor heeft gerepareerd. Dat is niet waar zei hij. Het werd een welles nietes en toen zei ik: “Piet, we hebben wel een motor gerepareerd”. Piet keek mij vuil aan en ik zei: “we hebben de motor van de inspecteur gerepareerd”. Piet meteen, ja dat is waar, vraag het maar aan de inspecteur. En wat denk je, hij kwam juist iets vragen. “Ja dat klopt”, zei hij. En Piet meteen, dan zijn we vals beschuldigd, de heren worden bedankt! Zonder wat te zeggen liep hij weg en ik achter hem aan. Wij zijn er nooit achter gekomen wie ons had verraden. Van Piet heb ik leren liegen.

Wij wilden graag trouwen maar konden geen woning krijgen. De repatrianten uit Nederlands Indië gingen voor. Uiteindelijk kregen we, via moeders huisbaas, een halve woning in de Quellijnstraat 19 twee hoog achter aangeboden. Daar waren we heel erg blij mee. Rietje speciaal, want die had het niet leuk bij Tante Mien. We hadden gespaard en konden de bruiloft en de meubels kopen. Het was augustus en we waren vergeten een kachel te kopen, maar die kwam er ook. Toen Joop was getrouwd, in koetsjes, waren er woorden gevallen wie er in een koetsje wilde zitten. Dus wij namen een autobus daar kon iedereen in. Toen getrouwd en bij Nel koffie gedronken en toen ‘s avonds naar bed. Toen we er in lagen voelde ik wat prikken, wij dat hele bed afhalen en toen zat het prijskaartje nog aan het laken, dus wij dikke pret.

Ik had met Rie afgesproken, dat zij de baas was in huis, en ik buiten , maar alles in overleg. Geloof me het gaat tot op heden nog steeds goed. Rie vroeg: “hoeveel zakgeld wil je hebben”? Ik zei: “jij zorgt dat ik altijd fl. 2.50 in mijn zak heb, voor nood”. Als Rie dan een cadeau wilde hebben zei ik: “ik heb geen geld”. Maar al met al is het tot op heden goed gegaan.

DamWij hadden het best naar onze zin en gingen veel met de motor weg. ‘s 'Winters ging de motor naar zolder om nagekeken te worden. Rie vond dat niet gezellig en zei, “waarom kom je niet met de motor beneden werken´. Dus de motor ging naar benenden en werd naast de kachel in elkaar gezet. Welke vrouw zou dat nu nog doen.

Maar al snel bleek dat Rie in verwachting was en werd Loek op 20 April 1954 geboren. Rie kon heel goed met Nel overweg. Ze gingen elke dag naar de Albert Cuyp om de wandeling. Als ik wat gedaan had zei Nel: “je moet lief zijn voor Rietje”. Maar dat was ik, wist Nel veel.

Maar eerlijk is eerlijk, Nel kon me langer dan Rie.

Joop woonde op nummer 27 en we hadden een telefoon aangelegd, van Joop via Nel naar ons toe. Dat was voor die tijd een luxe. Loek lag veel bij Nel in de tuin te slapen en ik geloof dat Nel heel erg daarvan genoot. Ik werkte in 1953 in het nieuwe Slotermeer en de eerste huizen in de Harry Koningsbergenstraat werden aan gesloten op radio en telefoon. Koningin Juliana zou de eerste woningen bezichtigen. Ik was daar aan het werk en had een collega die elke keer als hij langs liep een tik op mijn schouder gaf, en toen ik dan weer een tik kreeg, zei ik “sodemieter nou eens op”. Toen hoorde ik zeggen “pardon”, ik keek om en zag dat Juliana mij met haar tasje had aangesto ten. Ik maakte mijn excuses, maar ze was alweer de woning uit. Dus ik kan zeggen, dat ik grof ben geweest, tegen de Koningin.

1953In Januari 1953 stormde het ook in Amsterdam. Piet en ik schuilden in een portiek op de Bos en Lommerweg, waar nu Dirk van de Broek zit, Daar was een postkantoor waar we koffie dronken. Ik hield mijn bril vast, maar mijn alpino petje vloog weg. Ik keek om en daar kwam een ander veel mooier petje aangewaaid. De Heer was weer met me. Soms was ik ook wel eens niet zo aardig voor andere mensen.

Wij hadden in de ploeg een die voor ons de putten moest graven waarin wij moesten werken. Gingen we wedden met lucifers. Wie de langste met kop trok moest leverworst halen, moest trakteren. Nou hij mocht het eerste trekken en had de langste met kop (ze hadden alle vier een kop).

“Hoera” riepen we dan en ik gooide snel de lucifers achter mijn rug weg,. Als we weer gingen wedden, mocht hij als eerste trekken en verloor weer. Dat was niet aardig van mij.

Toen ik nog op de Bloemgracht werkte, was er een knul en die was erg gierig en niet aardig. Hij zou gaan trouwen en deed nooit ergens aan mee. Toen zei ik: “voor 10 gulden laat ik mijn kop kaalknippen”. Nou zei hij, “dat staat”. Ik zei “maar dan wel eerlijk, geld bij de chef neerleggen”. Hij dacht dat doet hij toch niet, maar ja hoor Lou had een kale kop. Die knul doodziek, want dat kon hij niet verantwoorden bij zijn meisje. Maar ik moest naar Rietje. Ik had een alpino petje opgezet, hartje zomer, Rie zei meteen wat is er en ik loog: ik had verf op mijn haar gekregen en toen heb ik het er met benzine afgewassen, maar ze waren aan het lassen en toen sprong er een vonk op mijn haar en toen kon ik het nog net op tijd blussen”. Rietje, “ach lieverd, wat zul je geschrokken zijn, heb je geen pijn?” Later heb ik het haar eerlijk verteld en lachte ze er gelukkig om.

tNu terug naar getrouwd zijn. Toen Loek geboren werd waren we meteen heel blij met hem, Nel ook, die had wel kleinkinderen maar die zag ze weinig, alleen als mijn zuster Nel geld nodig had en wij woonden vlak naast Nel. Rie hoefde niet te werken van mij, dat hadden we afgesproken toen we trouwden. Ze kon dus de hele dag met Loek doen wat ze wilde.

Ik had beloofd dat ik voor geld zou zorgen en zij voor het huis. Als ik ‘s avonds thuiskwam was het huis schoon, Loek verzorgd en het eten klaar. Dat is nu na, 45 jaar nog steeds zo (alleen is Loek de deur uit).

We gingen zeker eenmaal per maand een auto huren om een ritje te maken met Nel en Juffrouw Frieshe, naar Duitsland of België. Ik vond auto rijden heerlijk en toen er dan ook bij de P.T.T. chauffeurs werden gevraagd, gaf ik me op. Rie vond het goed en het verdiende ook beter met overwerk. Ik zou toch niet veel hoger komen, want ik had verscheidene rode kruisjes achter mijn naam staan, en ze waren denk ik, ook blij dat ik naar een andere afdeling werd overgeplaatst.

Ik moest twee dagen naar Den Haag, een dag voor een psychologische test en een dag rijden in alle voertuigen. Nou Loetje had weer geluk, zoals bijna altijd. Ik kreeg mijn certificaat voor het besturen van alle rijks voertuigen en ik werd chauffeur op een bestelwagen.

Ik moest magazijnwerk rondbrengen, maar dat duurde maar 8 maanden. Er kwam een plaats vrij op een grote vrachtwagen, dus ik blij want dan kon je ‘s avonds de handkarren van de monteurs verplaatsen. Dat was overwerk en dus extra verdiensten. Ook moest ik houten telefoonpalen, meestal buiten de stad, rondbrengen dat was leuk werk. Later werden de handkarren vervangen door aanhangwagens. Wij waren met 5 chauffeurs en éénmaal in de 5 weken moesten we ‘s avonds 5 tot 8 wagens verplaatsen. Ze werden toen nog karretjes genoemd en als je dan aan de beurt was dan belde je op en vroeg waar ze naartoe moesten. Je kreeg voor elk karretje een uur en dan nam elke chauffeur een karretje van je over, maar diegene die aan de beurt was kreeg betaald. Ook kregen we eenmaal per 3 maanden rij-premie. Dat was bijna een weekloon als je geen aanrijdingen had gemaakt, dus je reed voorzichtig, want de premie had altijd een bestemming.

lToen Loek 2 jaar was, kreeg hij een fiets. Praten deed hij niet, maar fietsen des te beter. Wij reden motor met Loek tussen ons in, maar hij was altijd de volgende dag verkouden. Toen zei Rie, ik ga niet meer op de motor met die jongen. Nou zei ik, dan ga ik een zijspan maken en dan een huifje erop dan zit die jongen uit de wind en droog. Maar Loek bleef elke keer verkouden. Koop maar een auto. Veel geld hadden we niet, maar wel veel geluk.

cIk kwam op de Leidsegracht bij een drukkerij, telefoon- toestellen terughalen en daar zat een man in een rolstoel en vroeg of ik een kop koffie wilde.

Ik kwam met de man aan de praat en die vertelde dat hij een beroerte had gehad en dat hij niet meer auto kon rijden. Ik zei wat jammer maar U hebt geluk gehad voor hetzelfde geld was U nu dood geweest.

Dat vind ik nou zo aardig van U, zei hij en vertelde verder dat hij zijn auto ging verkopen.

Ik vroeg wat voor een wagen het was. Een Citroën, zei hij ga maar mee kijken, hij staat in de garage. Ik naar huis en vroeg aan Rie wat doen we? Met een beetje geld bij Nel geleend kochten we hem voor 500 gulden.

Dat was onze eerste auto. Nu maakten wij veel meer tripjes. Toen ik weer eens ergens reed en een paar knullen heel langzaam overstaken riep ik Stelletje Sekreten. Loek praatte slecht, maar toen riep hij: “KETEN”. Nou toen moest ik op mijn woorden gaan letten.

Clara was ondertussen met Wim Steeg getrouwd en was kwaad de deur uit gegaan. Nel mijn zuster had tegen moeder gezegd: “als die meid zo lastig is, gooi haar dan de deur uit”, maar ook dat was een kind van moeder en dat deed ze niet. Toen Rie en ik dan, kleine Henkie, dat was Nel haar zoontje, met de motor terugbrachten, zat daar Clara. Ik werd kwaad en zei: “Ik dacht toch dat jij tegen moeder had gezegd, gooi die meid de deur uit”. Nou dat zat niet lekker en dat was tevens het einde van de vriendschap van Wim Steeg.

Ik heb hem daarna ook nooit meer gezien. Ook Clara niet. Moeder had daar veel verdriet van, maar gelukkig had zij Loekie nog, die zag ze elke dag. Rie ging elke dag met Loekie op straat, voor de frisse lucht, en Nel liep dan veel met haar mee. Nogmaals Rie en Nel konden goed met elkaar opschieten, maar oppassen als Rie en ik naar de bios wilden, dat deed ze niet.

tuinOp een dag hoorde ik via een collega, dat hij zijn volkstuin-huisje ging verkopen omdat hij een woning had gekregen. Ik zag daar meteen brood in en vroeg hoeveel het moest kosten. Dus Rie en ik er naartoe.

Stond er een kaal huis wel met ramen en een deur maar van binnen leeg. Wij zagen het meteen zitten en we kregen het voor een klein prijsje en ik aan het timmeren.

Hout nam ik mee van de P.T.T. dus dat kostte niet veel. Het huisje was 8x4 mtr en ik maakte er een slaapkamer in van 4x3 mtr en aan de achterkant een aanrecht van 4mtr lang. Toen hadden we een kamer keuken erg gezel lig. Wij gingen daar 1 Mei naar toe en ik kwam s'avonds ernaar toe met de P.T.T. au to. Als het slecht weer was zag je niemand, maar met zon zaten we vol met visite. Naast ons werd ook een huisje verkocht, Moeder kocht het meteen, Rietje gelukkig en Nel ook blij.

Rinus werd met 55 jaar gepensioneerd. Hij was 25 jaar bij de brandweer en kreeg een ridderorde, maar hij had dat niet gekregen voor de gezelligheid van zijn gezin. Hij kreeg van moeder een brommer. Hij kon dan boodschappen doen. O, ja ik ben nog vergeten te vertellen dat toen Rinus met pensioen ging hij twee dagen ervoor naar de brand van C & A moest op het Damrak, om te helpen blussen. Dat was ook de tweede keer dat hij meedeed, de eerste keer toen hij in 1930 in dienst kwam, toen was er een hele grote brand op het IJ. Het passagiersschip de P.C. Hoofd brandde helemaal uit, de klinknagels vlogen over de Ruyterkade

We hadden het goed op de volkstuin met moeder, we hebben de tuin 10 jaar gehad. Op een keer moest Loekie op zijn fietsje met een briefje bij de Inkoop brood halen. Toen hij terugkwam zei hij Riet je brood ligt bij Janssen dat was de buurman aan de overkant. Loekie noemde zijn moeder altijd Riet, want Nel zei dat toch ook? Toen was hij ongeveer 3 jaar. Als er bij ons iemand aan de deur kwam en vroeg is je mama er ook, dan zei hij: “Ik heb geen mama, ik heb alleen moe en Riet”.

Als ik eens karretjes moest rijden nam ik Rie en moeder ook wel eens mee. Toen ik dan ook eens karretjes moest ophalen op de Wallen, vroeg ik ook “ga je mee”? Volgens haar was ze daar nog nooit geweest. Ik had daar vroeger veel gewerkt en geloof me ik had het er best veel fooi van die meiden. Loek was misschien 4 jaar en die ging ook mee. Ik zei tegen hem kijk jij of je karretjes ziet. Nou toen we dan ook zo'n meid zagen, zei ik “daar heb je er een”. Loek meteen, Ik zie geen karretje. Vanaf die tijd heet een hoer een karretje.

Flip ging dood, hij had verval van krachten zeiden ze toen, maar hij was getrouwd en had zich dood gewipt. Nadat we met ons drieën Chris, Wim en ik, onze vriend hadden begraven, zei Chris: “nou jongens tabee, tot de volgende”. Chris zie ik nog wel eens, maar van Wim Mos hoor of zie ik niets meer.

We wilden na Loek nog een kind, maar dat lukte niet. Toen Loek dan ook 6 jaar was, zouden we gaan sparen voor een reis naar Oostenrijk, maar Rie raakte in verwachting en weg was onze reis. We waren er wel heel blij mee en vooral toen het een meisje bleek te zijn. Zij werd Petronella genoemd, maar noemden haar Petra. Toen was het gezin compleet. We waren erg gelukkig; woonden nog in de Quellijnstraat en hadden de Citroën.

Omdat ik niet hogerop kon bij de P.T.T. en weinig verdiende, rommelde ik er af en toe wat bij. Ik had Jaap zijn kampeerhuisje, vroeger wel eens naar Bakkum gebracht,  Jaap met het huisje op de bakfiets en ik op de motor de bakfiets voortslepen. Pa Bloemen daal had een nieuw tenthuisje voor Jaap gemaakt en Jaap en ik met de dienst wagen vroeg naar Bakkum en weer terug naar Zaandam, toen de mobilofoon ging. Ik moest meteen naar de Hobbemaka de komen. Ik dacht dat is foute boel en deed mijn licht aan, zodat het bord met Storingdienst boven op de wagen verlicht werd. Zo ging ik de hele file voor de pont voorbij. De klep zou net dicht gaan, maar ik kon er nog net op. Met een noodvaart over de Hemweg, Nassaukade, Stadhouderskade naar de Hobbemakade naar kantoor. Ik was daar 8.20 uur. Waar ik vandaan kwam? Van de garage natuurlijk, maar  ze hadden me zien rijden in Castricum om 07.50 uur, nou zei ik toen, dus ik moet in 30 minuten van Castricum naar hier zijn gereden, dat kan toch niet, ik ben geen Sterling Moss, Ze konden me niets maken maar ik had weer een rood kruisje achter mijn naam staan.

Ik kreeg de pest in en zei tegen Rie, “ik ga wat anders doen”. Ik kon beginnen als Chauffeur bij het fruitvervoer op de Markthallen, dat leek me wel wat en ik zou dan meteen de helft meer verdienen. Rie vond het goed. Ik moest om 07.00 uur in Zaandam bij Zwaardenma kers onder de schuif staan, we waren met zijn tweeën, Gijs langs de weg, noemde ze hem. Daar kreeg je 200 zakken veevoer van 50 kg elk, dan zeil er overheen en naar Brabant uitventen, door naar Goes en Krabbedijke fruit laden en via Tiel het laatste fruit opladen en dan naar de Markthallen dat was tegen 23.00 uur en dan naar huis. Ja dat viel niet mee, maar ik verdiende het dubbele als bij de P.T.T. Toen ik daar ook genoeg van had wilde ik weer wat anders gaan doen.

Via via kwam ik terecht bij een transportbedrijf, Hauber, die zocht een chauffeur-monteur. Gerard Hauber werd ook wel Boebel genoemd. Hij was 19 jaar oud en had het bedrijf van zijn vader overgenomen, die te oud was geworden. Daar had ik het erg naar mijn zin. Ik moest betonijzer en stalen balken vervoeren, voor Oving, een ijzerhandel. Ik begon daar om 07.00 uur en was meestal ‘s avonds 19.00 uur weer thuis.

Na een paar maanden ging hij een garage bouwen op de Cruqiusweg, schuin aan de overkant van Oving. Daar was natuurlijk veel werk, het was een oude leger Romnyhut die hij had gekocht van Caransa (deze naam komt later nog terug). In het begin was het leuk er te werken, maar overdag chauffeur en ‘s avonds monteur, dat viel niet mee, maar het werk was leuk.

Gerard was een hele goede knul, maar wel een echte baas en met overwerk betalen altijd wat extra. Er kwamen steeds meer wagens bij en het werd te druk voor mij alleen, dus kwam er een monteur bij en later nog een. Het transport werd steeds moeilijker, we vervoerden ook betonpalen als het maar lang was. Daar waren vergunningen voor nodig maar de motorpolitie moest ons meestal begeleiden als we te breed, te hoog of te lang waren. Toen was de politie ook al corrupt.

Als er iets bijzonders was 25 gulden en de motorpolitie begeleiding stond voor de deur. Bekeuringen werden afgekocht, alleen autobelasting 1000 gulden per maand vergat hij wel eens, hij had ook twee auto's op één kenteken staan en als hij dan ook werd aangehouden zei hij, dat personeel tegenwoordig, ze zijn te lui om het kenteken te verwisselen.

Ook deed hij veel aan paarden wedden en dan kwam dat paard altijd net een neuslengte tekort. Hij had zijn vrouw een nieuwe Simca gegeven, maar een maand later zat hij weer eens zonder geld en moest hij hem weer verkopen aan een chauffeur met 2000 gulden verlies. Toen kostte die Simca nog 5000 gulden.

Hij is ook wel eens bij mij thuis gekomen om 100 gulden van Rie te lenen. Want .. iedereen wist Rie ging over het geld. Maar nogmaals ik had er een goede baas aan. Ik was goed in het organiseren als er een moeilijk transport was en dan liet hij mij m'n gang gaan, maar wel in overleg met hem. Het transport werd steeds langer en zwaarder, maar daar hadden wij de auto's voor, 26 mtr was niets bijzonders.

DafDe Nieuwe R.A.I. werd gebouwd en hij kon het vervoer krijgen voor heel veel geld. Ik zei dat ik eerst wel eens ging kijken. Toen ik ‘s avonds terugkwam zei ik dat het niet ging er stonden huizen in de weg. Maar hij geloofde het niet. Toen zei ik: “we nemen een houten lat van 26 meter en gaan het proberen”. Nou het ging niet. Hij natuurlijk blij, hij had nog niet gete kend. Toen moesten die spanten via het water naar de Amstelbrug vervoerd worden en dan met een grote kraan op onze auto's (een spant woog 22 ton). Kijk maar eens omhoog als jullie de RAI bezoeken, dan zie je boven tegen het dak al die spanten met twee tegen elkaar zitten.

We moesten eens een transportband vervoeren van Utrecht naar Diemen, maar die was weer te lang en te zwaar. Ik zei: “ik wil het wel doen maar dan wij samen”, dat was goed. Transportband opgeladen en ik zei tegen Gerard “jij rijdt, je zet de radio hard aan als we bij die boom aankomen maar je stopt niet”. De band lag er op en de motorpolitie was er. Ik stond boven op de band, de eerste bocht ging goed, maar toen stond de boom in de weg, Gerard had de radio aan en ik aan het schreeuwen maar hij reed door maar wel langzaam. Toen we er voorbij waren stopte hij en ik tegen hem “Klootzak jij altijd met die radio aan, nu heb je een boom omver gereden, zal je de baas horen”! De politie, “nou nou, het is maar een boom”. Ik tegen de politie, “tegenwoor dig heb je geen goede chauffeurs meer”. Een boom kostte destijds 75 gulden en een lantarenpaal 200 gulden. Daarna zijn we in Diemen lekker gaan eten.

De nieuwe kerk op de Dam werd gerestaureerd. Daar moest 60 ton betonijzer naar binnen. Gerard zei, “ga eens kijken”. Nou ik zag er wel brood in, maar wilde het zelf doen. 20 ton opgeladen, vooruit de kerk in, binnen tussen de pilaren gedraaid en de kerk weer uit. Maar toen raakte ik bij de uitgang een steen, jaren lang zat die steen er met rode verf. Later hebben ze de steen vervangen door een nieuwe steen. Ga maar eens kijken, als je er voor staat linkerkant op c.a. 2 meter hoog.

Grote werken die ik organiseerde waren Aquaduct bij Schiphol, de Nederlandse bank, de radar in het Amsterdamse bos, het station van Breda en de IJtunnel. We werkten veel in de garage ‘s avonds. We hadden een autospuiter Bob, die een grote spijker in de muur had geramd om zijn jas aan op te hangen. Toen we er ‘s avonds wat hoorden gingen we kijken maar er was. Niets, maar Bob haalde zijn wang open aan die spijker en gilde “ik ben gestoken”. Ge rard over de zenuwen en wij weer aan het lachen.

We zouden ook eens een dagje naar een camping gaan en Bob en zijn vrouw waren er ook. Bob zei: “wie wil er pluimballen” (badminton) en Rie zou meedoen. Ik geloof dat Rie veel geluk had, want ze versloeg Bob finaal. Bob tegen mij, je vrouw kan er wat van. Ik zei “niks zeggen maar ze is Nederlands kampioen geweest”, alleen waarvan zei ik niet. Een keer Gerard was weer eens gul en nodigde al het personeel uit voor Mij Fair Lady in Carré. We hadden een heerlijke avond. Als Loek wel eens meeging zei hij “Loekie kun jij mijn auto wassen?” en dan kreeg hij ook een loonzakje.

RenaultPetra werd ondertussen geboren, maar Petra had Cara en ging ziekenhuis in en ziekenhuis uit. We hadden haar wel drie keer voor dood naar het ziekenhuis gebracht en Rie wel twee keer per week naar het Binnen gasthuis. Met een taxi kon niet, want daarin werd gerookt en was veel te duur en met de tram tochtte het te veel. Ik zei tegen Rie “ga jij je rijbewijs halen dan koop ik voor jou een autootje”, Dat werd een Renault Quatro en daar was ze erg blij mee.

Toen moest Petra naar de buitenkliniek in Bussum. Dat was voor Rie natuur lijk erg naar, elke dag naar Bussum. Na verloop van tijd kwamen wij er achter, we konden haar wel mee naar huis nemen maar dan moesten we eerst een andere woning heb ben. Maar daar konden we niet zo gauw aanko men.

Maar we hadden weer geluk. Tegen een aannemer waarvoor ik veel werkte, de firma Borst, vertelde ik dat mijn dochter in het ziekenhuis lag en dat ze niet naar huis kon komen omdat ze geen eigen slaapka mer had. Geef je adres maar op zei hij en ‘s avonds werd er aangebeld.

Een boekhouder gaf een sleutel af en zei: In de Kijkduin straat staat een woning, als hij bevalt mag je hem hebben en kom je morgen maar naar het kantoor om het contract te tekenen. Wij er naar toe en Rie zei hier moeten ze me afdra gen, want hier ga ik niet meer weg.

We hadden alles verhuisd, maar eerst moest de dokter nog komen kijken. Wol moest de deur uit en alle matrassen moesten weg en vervangen worden door schuimrub ber matrassen en haar kamertje moest helemaal afgeplakt worden. Maar .. we kregen haar na twee jaar weer thuis. Rie heeft het toen wel erg zwaar gehad.

4In 1963 we woonden pas in de Kijkduinstraat, kregen we een hele strenge winter. De kanalen waren bevroren en er kon geen tanker meer varen. Alles moest dus met auto's gedaan worden, daar was goud in te verdienen.

Ik wist weer raad en kocht ondergrondse olietanks van 30.000 ltr, zette ze op een trailer, knelbanden eroverheen en rijden maar.

De hele winter ging het goed, maar toen was er ook geen dieselolie meer te krijgen. Ik kreeg weer een goed idee, wij vervoerden HBO-1, dat is gewoon petroleum. Dus ik de slang erin en 200 ltr getankt, bon uitgeschreven. Hauber was blij en vroeg hoe ik daar aan was gekomen.
Per tank was dat 80 gulden, dus dat liep aardig op. Wij hadden dan ook geld nodig voor het huis.

Ik moest een keer een kapotte wagen ophalen in Breda. Ik had de hele dag er aan gewerkt en toen ik dan ook eindelijk klaar was, was het 10 uur ‘s avonds. Hij liep weer, maar de kachel deed het niet. De olie moest nog gelost worden in Baarn en toen ik dan ook, verkleumd van de kou, even onder een deken ging liggen viel ik in slaap. Na een uur werd ik wakker en toen was ik helemaal verkleumd. De auto wilde ook niet meer starten en ik probeerde te liften. Maar wie stopt er nou midden in de nacht. Toen dacht ik, ik ga midden op de weg staan en dan moeten ze wel stoppen, het kon me ook niet meer schelen.

De eerste auto die stopte was een politieauto. Een agent kwam met getrokken revolver op mij af en ik vertelde wat er aan de hand was. Ik mocht in een heerlijk verwarmde Volkswagen te zitten, waarna zij mij naar de Marechaussee brachten tegenover het paleis Soestdijk. Daar werd ik bij de kachel gezet, kreeg koffie en moest eten van ze.  Ik viel weer in slaap en toen ik wakker werd, belde ik naar Hauber, die mij meteen kwam halen. Hij zei tegen de marechaussee: “dat is mijn beste chauffeur die ik heb”, gaf die mensen 25 gulden voor de koffie en we gingen naar huis.  Toen ik weer eens op een zondag morgens thuiskwam zei Rie: “Kijk kinderen dat is je vader en liet een foto zien”. Dat was wel een waarschuwing voor mij. Toen dacht ik, ik moet wat anders gaan doen. Maar ik maakte veel geld en iets anders was er zo gauw niet te vinden.

Caransa had naast ons op de Cruqiusweg een groot terrein met allemaal dumpauto's staan en wij natuurlijk kijken wat er in zat. Er waren complete operatiekamers bij, maar ook een wagen vol hoeden en schoenen. Toen dacht ik, misschien wel van de Joden die ze vergast hebben.

Wij hadden in de oorlog ook een buurvrouw op nr 52. Zij werd opgehaald door de moffen, maar wilde niet mee, zodat ze aan haar benen van de trap werd afgetrokken. Ook werd mijn buurmeisje Leny Polak van 13 jaar met haar ouders en haar broer opgehaald Maar, voordat ze de wagen instapten, greep een mof haar al bij haar kont. Zoiets vergeet je je hele leven niet meer.

Maar nu weer wat leuks. Hauber had van de N.Z.H. 30 autobusbanden gekocht, die al een paar keer gecufferd waren. De eerste trailer kreeg 8 van die banden, werd vol geladen met 20 ton ijzer en ging op weg naar Kloostertille in Friesland. Na een uurtje kwam al het eerste telefoontje, ik sta bij Hoorn met 4 lege banden. Dus ik er naar toe met de Mercedes met aanhanger om de wielen te verwisselen en daarna weer naar huis. Tegen 5 uur kwam er weer een telefoontje, “ik heb alweer 4 lekke banden”, maar nu stond hij midden op de Afsluitdijk. Daar ging Lou weer met andere banden, die moesten er eerst af dus twee er op en met twee wielen naar Zurich aan de andere kant van de Afsluitdijk, andere banden er op weer terug, wielen er op en weer met twee wielen naar Zurich. Tegen 5 uur ‘s morgens waren we klaar en kon ik eindelijk naar huis gaan.

Ik moest weer eens voor een lastig karweitje naar Zaandam. Ik bekeek het, stapte in en reed achteruit. Toen ik stilstond, had ik 8 vuilnisbakken platgereden en niets gevoeld. Maar .… de vracht was er. Een andere keer; ik moest naar Wormerveer. Toen ik daar aankwam zag alles er goed uit, maar ik dacht, laat ik maar eerst vragen of ik aan het einde kan draaien. Ja hoor, zegt die boer geen enkel probleem. Dus ik 6 km dat weggetje af, maar ik zag het al met een trailer kon ik daar niet keren, dus 6 km achteruit. Toen ik weer terugkwam op de zaak vroegen ze, “is het er gekomen", natuurlijk, waarom niet? Maar ik had er wel een stijve nek aan overgehouden.

vbakOok moest ik eens een versnellingsbak wisselen.

Ik haalde er een op de sloop en monteerde hem, ging een proefrit maken en toen liep die kar 120 km .

Er zat toen een bak van een autobus onder. Toen was de snelheid van een vrachtwagen nog 60 tot 80 km .

Ook is Loek nog een keer met “ouwe Hauber” meegeweest naar Eindhoven om een nieuwe motor te halen voor een vrachtwagen

 

Rie en ik wilden toch ook wel eens naar het buitenland op vakantie, maar met Petra moesten we voorzichtig zijn. Via via hoorde ik, dat er een V.W.-bus te koop was van een stomerij “de Jonge Parel”, maar de motor was defect. Ik erop af en hij zag er mooi uit. Ik startte de motor, maar hij ratelde het leek wel of de lagers er uitlagen.

VW busJa zei ik, dat wordt een andere motor. Voor 300 gulden kocht ik hem en sleepte hem naar de Kijkduinstraat. Ik zou er een kampeerwagen van maken. Toen ik de motor eruit haalde, zag ik een sleutel van de motorkap tegen de dynamo aanlag.

Als ik hem toen weer gestart had, dan had ik de motor er niet uit hoeven te halen. Motor er uit, naar 1 hoog en op de waranda uit elkaar, maar niets te zien; zag er allemaal uit als nieuw. Motor er weer in en hij liep als een naaimachine. Nu hadden wij een monteur in dienst Karel Oudewortel (die had ruzie met Ben Pon, de bekende racer, gekregen, dat was de importeur van de V.W. en Porsche). Ik liet hem de motor horen en hij zei: “daar kun je de hele wereld mee rond”. Karel had een V.W. kever met een Porsche motor erin. Die had hij onderdeel voor onderdeel met repareren bij elkaar gerommeld. Als wij dan ook met deze Kever bij het stoplicht stonden, was hij als eerste weg. Op een ochtend kwam hij me ophalen en we stonden weer bij het stoplicht. Hij gaf gas en mijn stoelleuning brak af, hij aan het lachen, dat was Karel. Later is hij voor zichzelf begonnen met Porsche motoren.

Opa Bloemendaal was timmerman en die maakte in de V.W.bus tafel en stoelen, zodat als de tafel naar omlaag ging er een bed was, voor Rie en mij. Loekie sliep op de voorbank en Petra boven de motor. We kochten een tent en toen maakte Rie er een flap aan, zodat als we ergens stonden de tent bleef staan en wij met de bus weg konden rijden. Wij oefenen in het Amsterdamse Bos (Bosplan). Alles was in orde, dus wij waren klaar voor de vakantie.

Bij Hauber beviel het me niet meer. Op een dag stond ik weer eens ijzer te laden bij Oving, toen een havenkraan het niet meer deed. Ik de pest in, want ik moest naar een verjaardag. Ik vroeg Ome Joop (hij was de monteur) wat was, maar hij het niet vinden. Ik liep naar boven en keek op de tekening. Per ongeluk liet ik mijn ballpoint vallen en bukte me om hem op te rapen. Ik keek omhoog, waarvoor weet ik niet en zag dat de hoofdschakelaar uit stond. Ik deed heel interessant, keek op de tekening en zei: “ik denk dat ik het heb gevonden”, pakte een bezem en brak een stuk van de bezemsteel af, zette deze tussen de hoofdschakelaar en toen konden we weer laden.

De volgende dag moest ik op kantoor komen en daar was de directeur Amsterdam van Oving (het hoofdkantoor zat in Rotterdam). Ik dacht wat nou weer. Hij vroeg mij: “heeft U gisteren onze kraan gerepareerd?” Ik beaamde dat. Heeft U daar dan verstand van? Toen zei ik: “ja dat kun je wel zeggen, ik ben van huis uit monteur elektricien”. O, zei hij, ik wilde vragen of U zin had om bij ons in dienst te komen bij de technische dienst, want de heer de Ridder (ome Joop) gaat volgend jaar met pensioen. Ik zei, daar overvalt U me mee, dat moet ik eerst met mijn vrouw bespreken. Hoor ik het dan zo spoedig mogelijk van U.  Dus ik naar Rie, die sprong een gat in de lucht. Ik had met Rie afgesproken, voor 200 gulden per week zou ik het doen. Toen ik dan ook de volgende dag vroeg wat ik zou verdienen zei hij, 900 gulden per maand, nou zei ik dat is wel een teruggang, maar U krijgt na drie maanden als het ons bevalt opslag en na een jaar een vaste aanstelling en weer salarisverhoging.

Dat zal ik toch weer met mijn vrouw moeten bespreken, O ja zei hij dat is goed, maar hoor ik het dan morgen? Ik heb toen de volgende dag ja gezegd, op voorwaarden dat ik een maand vakantie zou krijgen. Dat kon niet zei hij. Ik vroeg, ook niet als ik het zelf betaal? Dat moest hij eerst overleggen met de boekhouder. De volgende dag: “meneer Dörr, mag ik ook vragen waarvoor U een maand vakantie wilt?” Toen ik zei dat mijn dochter naar Zwitserland moest voor haar atma, keek hij naar me en zei morgen hoort U het. De volgende morgen zei hij dat het goed was. Ik vroeg hem waarom die ommekeer opeens en toen zei hij, de boekhouder zijn zoon moet ook naar Davos, en U krijgt de hele maand betaald. Ik zeg maar zo nooit te gretig zijn als ze je vragen. Ik vertelde Hauber dat ik bij Oving ging werken en dat vond hij naar, maar wenste me veel geluk. En als hij in nood zat of hij dan op mij kon rekenen. Ja zei ik we hebben toch altijd leuk gewerkt.

Bij Oving begon ik als Chef Technische Dienst. Dat was een titel, want ik moest gewoon met mijn handen werken. Ik had twee knechten, mijn rechter- en mijn linkerhand. Maar ik was wel eigen baas in Amsterdam. Ik had een vaste taakomschrijving, waar ik voor moest zorgen. Ome Joop vond alles goed, hij had er geen zin meer in. Ik dacht ook wat kan hij mij nog leren, maar van hem heb ik heel veel geleerd o.a. improviseren. Ome Joop woonde op het terrein in een dienstwoning en afgesproken was, dat ik daar zou komen wonen als ome Joop met pensioen ging. Maar Rie wou daar niet wonen, dus in overleg met de directeur mocht hij daar blijven wonen, hij was heel blij.

Voor het reizen kreeg ik reisvergoeding. Ik had afgesproken dat ik geen overwerk betaald zou krijgen, ik moest alleen zorgen dat alles bleef draaien. Er was een bedrijfs leider, de heer Schalkwijk, die woonde ook in een eengezinswoning op het terrein. Dan was er nog en kantoorklerk, de heer de Wilde, en een terreinbaas, Jan v.d. Zee. Ik kon met alle drie goed overweg. Van Jan heb ik geleerd hoe je in een morgen 10.000 ton ijzer kon tellen. Later werd Jan overgeplaatst naar Rotterdam en werd daar bedrijfsleider.

Er stonden drie havenkranen van 20 meter hoog, maar in slechte staat. Er was een nieuwe van 24 meter hoog, maar als je daar naar boven moest voor controle, viel dat niet mee. Ook kreeg ik van Rotterdam een certificaat voor het keuren van kranen. Dat was verplicht, want eens in de maand moest de hele kraan gecontroleerd worden, het kraanboek moest je voor oké tekenen. De mensen die onder de kranen werkten, hadden het ‘s winters, in de regen, erg koud. Zij hadden een soort afdakje waar zij onder schuilden. Het eerste wat ik dan ook liet maken waren twee hutten van 2x3 mtr met een elektrisch kacheltje erin, een bank om op te zitten en een plank om op te schrijven. Bij die gasten kon ik geen kwaad meer doen. Ook zorgde ik ervoor, dat er een fatsoenlijke kantine kwam, een kleedlokaal en wasbakken met handboeken en zeep. Dat hoefde ik zelf niet te maken, maar ik zorgde er wel voor.

Toen alles goedgekeurd was door Rotterdam, vroeg ik meteen om een koffieautomaat. Iedereen kreeg elke week 15 koffiemunten en De Wilde zou zorgen voor het vullen en de munten. Ja zei hij, als er maar geen misbruik van gemaakt wordt. Toen ik een paar dagen later de automaat openmaakte, stopte ik 6 grote ijzeren ringen in het muntenbakje en al gauw werd ik geroepen, Lou, kijk nou eens, ik heb het je gezegd, ze zouden er mee knoeien. Later heb ik het De Wilde verteld.

Het meest urgent was goed gereedschap en ik belde Rotterdam. Daar was ingenieur Houtenbrink, die zei: “wat je nodig hebt kun je kopen en als de rekening komt teken je en dan komt hij wel bij mij”. Nou dat hebben ze geweten.

O.a. de Gedore gereedschapkast van 800 gulden, die hangt nu nog bij mij op zolder. Ome Joop ging met pensioen en ik kreeg mijn vaste aanstelling, maakte een werkplaats van 5 x 8 meter , daar kon ik de heftruck en mijn auto repareren.

Een kraan was in slechte staat, ik schakelde een constructiebedrijf in; firma Bleyenberg, uit Weesp. Voor 20.000 zou hij de kraan reviseren. Maar de samenwerking liep niet goed en toen hij de rekening achter mijn rug om naar Rotterdam stuurde, had ik danig de pest in maar ik zei niets. Houtenbrink stuurde de rekening naar Bleyenberg terug met een briefje dat de heer Dörr eerst de kraan zou controleren en dan zijn fiat moest geven, waarna er betaling zou plaats vinden. Toen ik dan ook niet tekende en zei dat hij knoeiwerk had geleverd kreeg ik de wind van voren. Ik had daar geen verstand van, ik was maar een vrachtwagen chauffeur, maar ik tekende niet. Houtenbrink moest erbij komen en vroeg wat er aan de hand was. Ik pakte een dommekracht en tilde één kant van de kraan op en toen lag het wiel te rammelen. “Overdoen” zei Houtenbrink en de heer Dörr houdt toezicht. Zonder zijn fiat wordt er niets betaald. Wat moest hij doen, het kostte hem een week.

Toen alles klaar was riep hij mij er bij. Hij werd heel aardig en vroeg toen of ik de rekening snel wou opsturen. Ik vertelde hem meteen dat ik van huis uit machine monteur was en er wel degelijk verstand van had. Ik zei dan ook, dat als er weer werk was, ik geen problemen meer wilde krijgen met hem. We gaven elkaar een hand en later kreeg hij veel werk van mij. Moet ik ook vertellen, dat hij later goed voor mij was, maar dat later.

We hadden ook een arbeider op het terrein, Piet de Hoop. Die haalde zijn broek héél hoog tot onder zijn oksels op. Wij noemden hem dan ook later Piet de Hoop broek. Hij vroeg 'ach Lou wil je het licht van mijn fiets nazien, ik heb er al een nieuwe draad aan gemaakt'. Zet maar neer zei ik. Toen ik zag, dat hij een plastic waslijntje had gebruikt dacht ik, die neemt me in de maling. Later vroeg hij aan mij wat eraan mankeerde en ik zei, dat er een lampje stuk was. Hij bedankte mij en toen wist ik dat hij mij niet in de maling had genomen.

In Augustus gingen we met vakantie met de V.W.bus, maar daar over later. Voor een maand had ik een plaatsvervanger gekregen uit Rotterdam, die 35 cent per km kreeg en dat liep aardig op. Ik had een bruin leven en ik nam hem in vertrouwen. Ik zei, je bent de hele dag bezig als ze je wat vragen. Als ik terug ben en ik hoor rottigheid over je, neem ik volgend jaar een ander. Maar geloof me, hij verzette zijn vakantie zelfs voor mij. Jarenlang heb ik plezier van hem gehad. Als ik dan terug kwam was alles opgeruimd en achterstallige reparatie gedaan.

Schalkwijk had een dochter Mery en die werd 18 jaar. Zij kreeg van haar vader een Dafje, maar daar mankeerde het een en ander aan. Ik keek hem na en toen spoot ik hem wit, rood lint erom heen en zij was heel gelukkig en ik kon bij Schalkwijk geen kwaad meer doen.  Na drie jaar moest ik op kantoor komen. Het magazijn zou gesloten worden en er zou een buigcentrale van gemaakt worden. Daar werd betonijzer op maat gebogen en moest dan kant en klaar op de bouwwerken afgeleverd worden. Dat was een hele organisatie. We kregen een jaar om te bouwen en het personeel mocht blijven. Wie weg wilde, kreeg twee maanden salaris mee. Dus het hele terrein leeg, dat was twee maanden werk.

Toen kwam de aannemer, Nederhorst, en ik werd aan hem voorgesteld. Toen vroeg de uitvoerder of ik familie op de Centrale Hemweg had. Ja zei ik. Dan zitten we goed zei hij tegen zijn collega's. Maar ik zei meteen, zo goed als mijn broer is zo gemeen ben ik. Later konden we het goed vinden.

Bleyenberg kreeg veel werk. De loodsen moesten verbouwd worden, er kwam een nieuw kantoor en de kantine werd ook vernieuwd. O ja zei ik wat moet er met die oude koffie automaat? Toen zei Houtenbrink, kijk maar. Bleyenberg kwam langs en ik zei, je zocht toch een koffiemachine, neem deze maar mee, toen gaf hij mij 100 gulden. Toen Houtenbrink de volgende dag kwam, had ik de 100 gulden in een enveloppe gedaan en zei: “een precentje van de voetbalclub”. Hij stak het in zijn zak en ik wist, die was ook plat.

MBToen wij met vakantie waren geweest, bleek de bus toch wel wat klein. We hadden de familie Boxman leren kennen en die hadden een Sprite caravan en daar was Rie helemaal weg van. Maar, dan moesten we eerst een andere auto hebben en werd de bus werd verkocht. Ik kreeg weer een tip, dat er een Mercedes 180 met een rotte motor werd verkocht.

Ik gekocht en nagekeken. Elke keer zat de carburateur met water. Ze hadden gezegd dat er nog een halve tank benzine in zat, maar er bleef water uitkomen, dus ik de tank er onderuit gehaald en toen bleek dat de vulslang stuk was. Als het regende kwam er steeds weer water in de tank. Eerst heb ik hem schoon gemaakt en toen hij weer goed liep gingen we overal kijken voor een Sprite.

Het liep tegen de winter en we reden bij Utrecht. Ik had tegen de kinderen gezegd dat ze moesten uitkijken en toen gaf Petra een gil, “Papa een Caravan te koop”. Teruggereden en ja hoor een Sprite.  Er stond een adres op aan de overkant, een woonboot, bleek later een hoerenkast te zijnbij de rooie brug. Ze vroegen 3000 gulden, maar ik wapperde met 2000 gulden en hij was van ons.

CaravanMet de caravan naar de Cruqiusweg, want in de loods daar stond hij goed. Rie natuurlijk schoonmaken maar hij zag er prachtig uit. Er zat een zonnescherm bij, maar Rie wilde graag een voortent. Die kostte 400 gulden en dat hadden we niet. Toen kwam Hauber en vroeg of ik zin had om een week lang met een betonmixer naar de IJtunnel. ‘s Nachts rijden dat bracht 50 gulden per nacht op dus, de halve tent was er. Een week daarna vroeg hij of ik weer kon rijden en toen was de andere helft er. Het viel niet mee overdag werken en ‘s nachts rijden, dat was 1966.

Ik moest voor de buigcentrale naar Krupp in Duitsland machines keuren. Ik zou met v.d. Weyden gaan, die was aangenomen als bedrijfsleider, maar sprak geen woord Duits. Dat was een persoon die nooit naar andere vrouwen keek en hij noemde zijn vrouw mijn Engeltje. Dus wij met de trein naar Essen.

Op weg naar het hotel kwamen we langs een bioscoop waar een cowboy film draaide. Onderaan stond klein geschreven Am Mittwoch, Freunde Der Natuur. Toen we ons verveelden gingen wij naar de bioscoop. Wij naar binnen, eerst reclame dan journaal en toen begon de hoofdfilm. Je zag een jongen en een meisje in een lelijk eendje naar het zuiden van Frankrijk rijden toen met een boot oversteken. V.d. Weyde zei, maar dat is geen cowboy film? Och zei ik dat komt nog wel. Maar zij kwamen aan op een nudisten eiland. “Wat erg” zei hij, en ik, “ga mee er uit”, maar hij wou toch wel verder kijken. Toen we uit de bioscoop kwamen, moest ik hem beloven, dat ik niets zou vertellen op de zaak. Ik was nog niet op de zaak of dat werd als eerste vertelt.

DMIn Italië hadden we de familie Daniëlmeyer leren kennen. Hij deed zijn Mercedes weg, omdat die afgeschreven was van de belasting. Die kon ik, zogenaamd als “unfall”wagen kopen voor het symbolische bedrag van 1 Mark. Dat was snel beslist en Loetje reed voortaan rond in een Mercedes Benz 220 - 6 cilinder. Hij werd ook nog eens herkend als Johnny Jordaan. Hiermee zijn we ook een aantal keren naar Italië gegaan.

MB2Later moest ik 3 dagen naar Peddinghaus in Hagen Duitsland om machines te keuren. Op de zaak had niemand er verstand van en ik had in de offerte laten zetten dat de motoren 220/380 volt moesten zijn. Over een jaar zouden we 380 volt krijgen.

Toen het transport met 2 vrachtwagens aankwam liep ik eerst naar die motoren, om alles te controleren. Maar of ik het had gevoeld, de motoren waren 380 volt.

Ik zei tegen de chauffeurs dat ze hun baas moesten bellen, dat er niet gelost werd, omdat de motoren verkeerd waren. Die Duitsers belden met Houtenbrink maar die zei Hr. Dörr regelt het. Toen kwam er telefoon uit Duitsland of ik toch alsnog wilde lossen maar ik zei, stuur morgenvroeg maar een wagen met andere motoren. De volgende morgen stond er een wagen met twee monteurs en toen werd er gelost. Houtenbrink was blij dat ik zo goed had opgelet. Ik moest ook nog naar Bergamo in Italië, voor een speciale machine maar dat deed ik toen ik met vakantie in Italië was.

Wij gingen draaien en er kwam veel bezoek en toen dan ook eens een man op zijn brommer iets kwam brengen, zei ik het lijkt wel een Russische spion. V.d. Weyde werd kwaad en gooide die man de deur uit. Ik heb het altijd leuk gevonden iemand in de maling te nemen. Maar het draaide goed en van overal kwamen de orders binnen. Hauber reed nog steeds voor ons en was erg gelukkig met een vaste klant. Hij had in de loop der tijd een hoop werk verloren, omdat er veel uitschuifbare trailers kwamen.

Er kwam eens een vertegenwoordiger van ons en die zei “och Lou, mijn kachel doet het niet zou jij even willen kijken?” “Zet maar neer”, zei ik, pakte de heftruck deed de vorken omlaag en reed naar voren. Maar de vorken stonden te hoog en ik reed met de vorken zo de V.W. in. Ik weet niet waarvoor maar ik ging aan de andere kant staan, nu met de vorken op de grond, maar er lag een steen en weer met de vorken erin. Wat ik een ellende heb gehad met die schaderapporten, Rotterdam geloofde het niet.

Toen wij dan ook eens een grotere heftruck nodig hadden vroeg, Houtenbrink of ik eens rond wilde kijken. Naast ons zat Orestein en Koppel dus ging ik eens kijken en vertelde wat ik nodig had. Loop maar even mee en daar stond er een precies wat ik nodig had. Hij was bijna nieuw en we zouden hem goedkoop krijgen. Ik liet hem offerte maken en zei dat hij het t.a.v. Hr. Houtenbrink moest opsturen. Houtenbrink was echter met vakantie en dan nam Hr. Oving het voor hem waar. De volgende dag kwam Oving op hoge poten naar me toe, “wie heeft gezegd dat U een heftruck mocht kopen”. Ik zei, “goede morgen”, ik heb geen heftruck gekocht, dat kan ook niet want ik mag maar tot 5000 gulden besteden en dan daarbij, als U goed kijkt dan ziet U dat het een offerte is. Oving was een hele redelijke vent, hij keek en zei Meneer Dörr U heeft gelijk en bood zijn verontschuldiging aan. Met een handdruk namen we afscheid ik heb daar altijd me mond over gehouden. Toen ze dan op kantoor vroegen wat er was, zei ik dat hij geen opslag wilde geven, maar dat ik het toch gekregen had.

Oving bestond geloof ik 100 jaar en gaf een groot feest in de Doelen in Rotterdam. 800 personeelsleden met vrouwen, verloofdes en vriendinnen uit de hele wereld. Alle zalen waren afgehuurd. Op de twee tonelen, orkesten, zangeressen, komieken en acrobaten. In de gangen stonden kraampjes met dranken, hapjes haring en patates frites. Oving hield receptie en iedereen kon hem feliciteren. Rie en ik stonden bij de collega's van de technische dienst uit Rotterdam. Ik had een broek aan met vrij strakke pijpen zonder zakken maar met een klein zakje naast de rits en daar had ik 35 gulden in gedaan, voor noodgeval. Wij gingen als laatste van de ploeg en Oving zei meteen Hr. Dörr hoe is het met U. Wij feliciteerden hem en met mijn linkerhand pakte ik de 35 gulden. We liepen terug en ik zei tegen de collega's, wat denk je ik kreeg 35 gulden van hem. Toen zeiden ze “jij hebt ook altijd geluk”. Houtenbrink gaf mij een knipoogje.

Bleyenberg zat in Weesp en zijn loods was uitgebrand. Hij kwam huilend naar me toe en zei: “ik weet het niet meer”. Ik zei neem eerst een kop koffie en vroeg of hij wat aan die kleine loods, had, die was 20 bij 20 meter en die gebruikten wij toch niet. Ik belde Rotterdam en die zeiden regel het maar, de condities komen later wel. Ik kon geen kwaad meer doen bij Bleyenberg. Dat kon ik toch al niet en toen hij een jaar later weer in zijn fabriek terug kon, gaf hij een feest. Rie en ik werden natuurlijk ook uitgenodigd en in zijn toespraak werden Rie en ik gehuldigd voor onze medewerking. Toen waren Rie en ik ontroerd.

Ik kon van Oving een auto krijgen en mocht zeggen wat voor een. Ik koos voor een V.W.bus, dan kon ik het personeel naar het Javaplein brengen, en mijn gereedschap erin doen. Maar hij was eigenlijk bestemd voor Brabant om samen met Joop en Wil naartoe te gaan. Ik mocht vrij rijden, een soort loonsverhoging. De bus was nog geen dag oud toen ik naar Arnhem moest. Er was met de bouw van het nieuwe Giro kantoor een fout gemaakt en ik zei tegen Loek, heb je zin om mee naar Arnhem te gaan? Nou dat was weer avontuur. We moesten daar betonojzer afslijpen en Lok moest 220 volt regelen. Toen hij ergens een stekker uittrok en onze stekker erin stak, moest hij rennen. Ze waren namelijk aan het storten en de stekker was van de trilnaalden welke ze gebruiken bij het storten.

Ik vond de motor van de bus niet lekker lopen en reed naar de V.W. dealer op de Middenweg en zei, de motor loopt niet lekker, de chef liep mee startte de motor en zei, de motor loopt mooi vierkant. Daar had ik nog nooit van gehoord, Hij reed de parkeerplaats op en de motor stopte. Ik naar binnen en daar liep de chef, ik zei kunt U nog even luisteren? Nou zei hij, ik heb toch al gezegd dat hij goed liep. Maar ik hield mijn mond en toen hij dan ook wilde starten en het niet deed maakte hij de klep van de motor open, nou overal olie, hoe kan dat nu? Toen was ik aan de beurt. Je zei toch “hij loopt mooi vierkant?”, dus heb je het mis gehad. Dat geeft niet maar ik krijg een andere wagen en morgenochtend zit er een nieuwe motor in, maar dat kon niet, O nee zei ik, jullie record is 17 minuten een motor uit- en inbouwen en als hij morgenochtend om 8 uur niet klaar staat, bel ik Ben Pon op en ik denk dat jij dan je langste tijd hier hebt gezeten. En als je het niet gelooft dan bel je Pon zelf op en dan vraag je wie Hr. Dörr is.

Loek stond vol bewondering naar mij te kijken. Nou moet ik eerlijk vertellen ik had eens een karweitje voor Ben Pon gedaan op de Cruqiusweg. Tegenover ons had hij een loods staan met inruilwagens. Toen er een heftruck nodig was zei ik, als je klaar bent zie ik hem terug. ‘S , avonds vroeg hij of ik interesse had in een oude V.W. kampeerbus'. Dat was een leuk ding die, had nu veel geld opgebracht. Maar ik had een caravan. Iik haalde Rie er bij en die vond het ook niets dus haalde ik de dingen er uit en de rest ging voor oud ijzer.

Maar nu terug naar mijn bus. Of hij gebeld heeft weet ik niet, maar de volgende ochtend stond hij klaar. Misschien heeft mijn zoon die brutale kop toch wel van mij.

VWOp de bus stond Buigcentrale, maar dat zag je niet als je er in zat. We hadden in het Brabantse Luyksgestel een stacaravan gekocht. Joop en Wil ook en zij stonden direct naast ons. Eerst reden we met twee auto's maar met de bus met zijn allen was toch gezelliger. Vrijdagsavonds gingen we naar Brabant, pikte Loek op in Utrecht bij de Albert's corner, die was in militaire dienst en stopte dan in Eersel bij de slager waar vlees werd gekocht voor de B.B.Q. Als we dan in Luyksgestel aankwamen maakten we eerst een rondje op een plein en dan riepen we dank je wel Ome Herman (dat was Oving), Joop maakte dan gehaktballen, dat was heerlijk speciaal ‘s winters. We hadden het daar heerlijk en het kostte niet veel want de benzine was voor Oving zijn rekening. We hebben totaal 8 jaar in Luyksgestel gestaan.

Op 20 April 1975 werd Loek 21 jaar. Ik had altijd gezegd, als je 21 jaar word mag je ook een keer met je vuist op tafel slaan. Maar hij zat ergens in Duitsland, dus wij een klein tafeltje met 21 erop uitgezaagd en wij ‘s morgens om 4 uur naar Hamburg. Na veel zoeken, het was een militaire oefening, vonden we hem. Hij lag te slapen in een kraanwagen en wij zingen “Lang zal hij leven”. Toen zei een kapitein, zijn jullie daar helemaal voor uit Amsterdam gekomen, ja zei Rie als je van je kinderen houd, heb je er veel voor over.

FHet liep tegen Kerst en Rotterdam vroeg of ik voor de gepensioneerden kerstpakketten wilde rondbrengen. Ik naar Rotterdam, de pakketten ingeladen, maar toen ik thuiskwam had ik 5 pakketten teveel. Ik belde maar dat kon niet, dus Rie wist er wel raad mee.

Ik wilde niet afhankelijk zijn van Oving voor een auto en Rie vond een Renault 16 zo mooi, maar die was net uit en was niet te betalen. Via via hoorde ik dat er een te koop was maar dan moest ik eerst 300 gulden tipgeld betalen, dat is kopen of niet kopen.

Rie vond dat toch wel een risico, maar wie niet waagt wie niet wint. De auto stond bij Rootselaar op de Slotermeerlaan en ze vroegen er 3500 gulden voor, dat was niet duur maar wel een hoop geld. Rie had altijd een potje voor noodgevallen. De volgende dag de Renault gehaald en Rie was erg gelukkig, we reden er dan ook voor ons plezier mee.

bb2Omdat alles zo goed ging, ging ik een speedboot bouwen van plaatstaal en noemde haar Petra. Maar het was geen beste boot, het kreng was natuurlijk veel te zwaar, je kon van links naar rechts- en van voor naar achter lopen zonder dat hij bewoog, dus verkocht ik hem aan een visser. Die was er dol gelukkig mee.

Op de Amstelveense weg was een jachthaven en daar lag een speedboot onder de teer, half gezonken en voor een klein prijsje was hij van mij, Loek en ik haalden hem op. Hij werd er met een kraan uitgehaald en bovenop een aanhanger reden we naar huis. Met geen drie man konden we hem van achteren optillen.

Toen zag ik een plug zitten draaide hem los en er kwam wel 300 liter water uit en stinken dat water.We knapten haar op en maakten er een voorruit op. Toen kon zij gedoopt worden, weer Petra, en het water in. Deze boot vaarde wel goed met de 40 p.k. Johnson die we hadden gekocht van een collega uit Rotterdam.

Rinus was al een tijdje ziek en moest opgenomen worden, maar het ging niet goed met hem. Rob mijn broer, Joop en ik hielden dan ook om de beurt de wacht. Op een avond, hij zat onder de morfine, zei hij “un peu d'eau”, maar wat dat betekende wist ik niet. Even later, pneu du chambre en toen de zuster langskwam vroeg zij of vader veel in Frankrijk was geweest. Toen ging mij een lichtje branden, want mensen die ver heen zijn herinneren zich veel van vroeger. De volgende dag was hij dood. Hij werd gecremeerd en de jongens zeiden kijk die ouwe gaat de pijp uit. Ik geloof dat niemand erg veel verdriet had, dat vond ik nogal treurig, maar daar had hij het ook wel naar gemaakt.

Mij werd gevraagd of ik naar Groningen wilde om daar alles technisch te vernieuwen. De eerste dagen reed ik heen en weer, maar 500 km op één dag dat was niets, dus ging ik in een hotel. Alle kabels moesten vernieuwd worden en samen met een aannemer werd alles opgemeten en de prijs afgemaakt. Ik had de eerste dag een U-profieltje nodig voor mijn aanhanger en zei dat tegen de bedrijfsleider. Die vond dat goed, maar vrijdags lag er op kantoor een rekening van 25 gulden. Toen ik hem vroeg wat dat te betekenen had, zei hij “er word hier niet gestolen” en ik de pest in.

Ik kwam ruimte te kort en op de bouwtekening kijkend moest er achter een muur nog een deur zitten. Een breekijzer erbij en ja hoor een deur. Deze was op slot, maar die hield het niet lang. Achter die deur stond een Jung locomotief nr. 514. Ik vermoedde rottigheid en belde met Hendrik Ido Ambacht, dat was de spoorafdeling van Oving, en vroeg of zij een Jung 514 misten. Hoe kom je daar aan vroeg hij. Die missen we al 4 jaar. Nou zei ik “die staat hier in Groningen'.
‘s Middags stond hij in Groningen met twee man. De bedrijfsleider werd ter verantwoording geroepen. De volgende dag zei hij, jij bent een verrader. Ja zei ik, maar daarvoor word ik betaald. Maar …. ik dacht dat er hier niet gestolen werd. Hij kon wel zijn biezen pakken. Dat was Groningen, maar het praatje ging naar alle vestigingen van Oving.

Het volgende karwei was in Nijmegen. Daar hadden we een pijpbekledingsbedrijf, of eigenlijk waren het twee bedrijven, een van Oving en een van een ander. Ik reed elke dag weer naar Nijmegen. ‘s Morgens naar het oosten met de zon in je gezicht en ‘s avonds naar het westen weer met de zon in je gezicht. Zodoende weet ik nu waar de zon op komt. Op een dag ik kon niet slapen en zei tegen Rie ik ga naar Nijmegen het was 4 uur. Toen ik daar om 6 uur aankwam zag ik nog net dat er een grote hendel van het gas werd overgehaald. Eerst dacht ik er niet aan, maar later vroeg aan Rotterdam het gasverbruik op van het laatste jaar. Och dat kan niet veel zijn, want we hebben daar al 2 jaar niet gedraaid. Maar toen brak er oorlog uit. Rotterdam had altijd het gas betaald, ik weet niet hoeveel KUB gas. Houtenbrink kwam naar me toe en zei “ga maar naar huis, ik regel het hier wel”. Een paar dagen later werd de fabriek gesloten.

Baltissen, de elektricien, werkte veel voor ons en ook daar was ik goede maatjes mee. Hij zat in de gemeenteraad van Abcoude en hij zei: “als je in Abcoude wilt komen wonen, heb ik een huis voor je. Het is nieuwbouw met gemeentesubsidie en ze kosten 120.000, maar voor ingezetenen van Abcoude 70.000 gulden”. Waarvoor ik het niet gedaan heb weet ik niet, maar nu in 1998 doen ze 500.000.

De Buigcentrale liep niet zo best en er was veel tegenwerking van de vlechters. Zij waren bang dat ze minder werk zouden krijgen, maar vandaag de dag is het allemaal voor gebogen betonijzer. Ik denk dat het in Holland nog te vroeg was geweest, dus Dörr werd weer verzocht om de Cruqiusweg te ontmantelen, dat heet zo met een net woord. Er zou een depot van Off Shore pijpen komen. Er was dus weer werk aan de winkel. Het personeel dat vertrok kreeg 3 maanden salaris mee en voor de anderen werd ontslag aangevraagd.

Met de laatste 10 man, waarvan er zeker een paar zouden blijven, werd alles weer opgeruimd. Oud ijzer ging naar Nijkerk, twee containers voor Oving en een voor mij en geloof me dat liep aardig op. Ik gaf altijd het geld aan Rie want ik maak altijd alles op. Ondertussen was Oving gefuseerd met Diepenveen en Struyken, vandaar O.D.S. Diepenveen had op de Papaverweg twee grote loodsen staan, naast Groenpol wat nu Bouwvaria is. Dat lag aan het kanaal en er stond een eengezinswoning op, waaronder het kantoor en erboven de woning van de bedrijfsleider. Met Houtenbrink werd ik voorgesteld aan de hr. Reyerse, zo van “dit is de heer Dörr en al het technische werk loopt vanaf heden via hem”. Aan de ene kant vond ik dat niet netjes met het kantoorpersoneel erbij, maar zo was Houtenbrink altijd recht voor zijn raap, maar hij stond wel altijd achter me als er narigheid was. Baltissen had weer werk, want ik wilde alles in orde hebben. Bleyenberg kreeg al het ijzerwerk en laste alles in elkaar. Ik kwam daar weer eens en toen stond er een ladder tegen de muur. Ik naar boven en daar zaten 4 man te kaarten. Ik vroeg “wat zijn jullie aan het doen” en toen werd er gezegd, sodemieter op we hebben niks met jou te maken. Ik weer naar beneden en naar Reyerse, “wat is dat op dak” vroeg ik. Ja zie je, we hadden lekkage en toen heb ik de loodgieter gebeld. O zei ik, we hadden toch afgesproken dat ik dat zou doen. Zeg maar tegen de mensen dat ze naar beneden komen. Bel hun baas maar op en zeg dat het afgelopen is voor ze. Nou die kwam zoete broodjes bakken en ik zei, je krijgt tot vandaag 5 uur betaald om de rotzooi op te ruimen en je hoeft niet meer terug te komen. Ik vertelde het tegen Baltissen en die zei, dat hij ook sinds kort loodgieterswerk deed. Dus die kon ik vertrouwen en hij was er blij mee. Een paar weken later kreeg ik een rekening via Rotterdam voor gasolie op de Papaverweg. Opeens dacht ik, ze hebben daar gas. Dus ik met de rekening naar Reyerse en vroeg hem wat dat voor rekening was. Ja zie je zei hij, als het gas op is kunnen wij verder met stookolie. Maar ik zei “stookolie is geen gasolie”. Later bleek, dat hij het voor zijn boot nodig had die in het kanaal lag. Ik liet de gasolie weghalen. Toen was er echt oorlog en werd alles overgeplaatst en het personeel ging naar de Cruqiusweg. De Papaverweg werd leeggehaald en opnieuw ingericht door Bleyenberg als depot voor Off Shore, wat twee maanden werk opleverde.

Van de woning maakte we onder een werkplaats en boven een gezellig onderkomen. Er stond een tv, een bankstel en een wandkast; in de keuken stond een koelkast, gas en kopjes, pannen en bestek. Rie, ik, de kinderen, Joop en Wil, waren er bijna elke zondag. Joop, Loek en ik waren aan het klussen. Rie en Wil aan het breien en Petra was er bij voor de gezelligheid. Loek had een luchtbuks en in de hal zaten altijd duiven die de boel vies maakten dus Loek moest de duiven afschieten. Eén duif bleef maar zitten wat we ook probeerden. Iedereen had het al geprobeerd en toen ik dan ook eens naar boven moest om de kranen te inspecteren bleek het geen duif maar een eindbuffer te zijn. Er lagen wél twee handen met kogeltjes.

Toen de Papaverweg was ingericht voor de Off Shore pijpen had ik een mobiele kraan voor het buitenterrein nodig, maar waar haal je snel een kraan vandaan. Bleyenberg werd ingeschakeld en de volgende dag belde hij, in Nederhorst ten Berg stond er een, een Grove kraan, kon 5 ton tillen en was 23 mtr hoog. Dus wij kijken en keuren, proeven en zeuren, maar ik mocht niets kopen dus werd Houtenbrink erop afgestuurd. De koop werd gesloten een 1 week later kon ik er mee draaien, nou dat was leuk speelgoed. We hadden geen machinist, maar als er een noodgeval was, dan draaide ik. Op een keer hadden we drie vrachtwagens geladen voor ergens op zee. Die werden dan naar IJmuiden gebracht en dan op een zeesleper naar het platform verscheept. Elke pijp was 1.20m in doorsnede 12mtr lang en woog 3.000kg. Elke wagen kreeg er 4, maar een uurtje later stond de motorpolitie voor ons neus. Er was een wagen zijn lading verloren op het Mosveld, het hele verkeer was gestremd en hij vroeg of ik met de kraan wou helpen. Rob v.d. Elst, dat was toenmalige vriend van Petra, was een dagje op bezoek en ik zei “jij gaat mee, maar je doet alleen wat ik zeg”. We reden met de politie er naar toe en alle 4 de pijpen lagen dwars over het kruispunt, Rob moest ze aanpikken en de chauffeur stond op de wagen. We moesten met die pijpen van de ene kant over de lantarenpalen naar de wagen. Rob had de dag van zijn leven. Jaren later kwam ik hem nog eens tegen en hij sprak er nog over.

In 1970 gingen we met ons vieren naar Canada, maar daarover later in het reisverslag. Die griet van Diepenveen reed ‘s avonds met me mee naar het Java plein. Zij stonk altijd naar zweet en dan zette ik het raam open waarna zij vroeg of het raam dicht mocht, “nee zei ik, een beetje frisse lucht moet er zijn”. Er kwam eens een chauffeur uit Limburg en die zei tegen haar “go-enmo-gen”, Zij zei: “Lowie ik versta hem niet, het is een buitenlander”. En die chauffeur, wat is dat voor een trut.

fOp een dag moest ik Rotterdam bellen. Ik moest mijn bus inleveren en ik de pest in. Toen ik in Rotterdam bij Piet v.d. Vliest aankwam, die ging over het wagenpark, zei hij “geef je sleutels en papieren maar hier, dit zijn de papieren van je nieuwe wagen”.  Het was een Ford Taunus stationwagen. Waarom vroeg ik. Er is geklaagd vanuit Amsterdam zei hij, dat de bus te groot was en dat je hem niet meer nodig had.

De volgende dag ging ik naar kantoor met 4 gebakjes. Dat was zo de gewoonte als je een nieuwe auto kreeg. Reyerse zei toen “” ik begrijp het niet, nou ben je je wagen kwijt en evengoed trakteer je”.  Ja zei ik op mijn nieuwe wagen, kijk daar staat hij. O ja, je word bedankt, maar ik denk wel dat jij je langste tijd hier hebt gezeten. Twee dagen later kreeg hij een beroerte en kon niet meer werken.

bMet waterskiën trok Loek elke keer de boot om met slalommen. We hadden er al een paar vleugels aangebouwd, maar dat hielp niet en toen ik dan ook hoorde dat er een speedboot een Simss Super V14 met schade te koop was, ging ik er op af.

Het was een nieuwe boot, maar er zat een gat in van 70x70 cm. Ik zag er wel brood in, betaalde 1200 gulden laadde hem op mijn trailer en ik ging er mee naar huis. Het was een boot die nieuw 6.000 gulden kostte. Rie stond voor het raam en zei, wat heb je nu weer gekocht?

Ik had nog nooit met polyester gewerkt. De een zei je moet zus en de andere zei je moet zo doen, maar ik ging naar de bieb en haalde een boek over werken met polyester. Daarna ging ik naar een winkel die polyester verkocht en ook advies gaf. Van die verkoper heb ik veel geleerd en hij veel aan mij verdient. Ik hing de boot op in twee takels op de Papaverweg, want ik moest van boven en van onderen werken, je kon zo door de bodem kijken. Elk het weekend was ik er veel mee bezig. Je kon maar laagje voor laagje werken en daar ging veel tijd inzitten.

Toen ik dan ook eens aan de boot bezig was, kwam er iemand uit Rotterdam. Hij zei alleen goedemiddag en liep de loods in, maar daar was niemand en hij kwam terug en vroeg wat bent U aan het doen? Dat zie je toch, ik werk aan mijn boot. Maar dat kan toch niet zei hij, O nee? Nou, ik ging rustig door. Hij was naar Rotterdam gegaan en had het aan Houtenbrink verteld. Die zei alleen maar, de heer Dörr moet je met rust laten.

bDe boot zag je opknappen, ik spoot hem bij en maakte er een kanteltrailer bij. Ik had een 40 pk Johnson buitenboordmotor, maar met Loek zijn stunten kwam ik steeds iets te kort.

Wij reden naar Italië met twee auto's. Loek met Marga, en Petra met Rob met de Ford van de zaak en de boot erachter en wij met de Renault en de caravan.

Dat hebben we twee jaar gedaan maar Rie vond het niet gezellig. Toen gingen we rond de tafel zitten met de kinderen en ik zou de Renault en de caravan verkopen en een 9 persoons bus kopen. Rie vond het wel naar dat haar caravan weg moest, maar met ons allen was toch erg gezellig.

fEr was een Ford Transit te koop, die werd opgeknapt en gespoten, er kwam een groot imperiaal op dak. Met alle tenten op dak geladen en de boot erbij woog hij 3500 kg en dan moesten er nog 6 man in en destijds moesten we nog over de st. Gotthard.

In 1978 waren we 25 jaar getrouwd, maar op 6 Augustus was iedereen met vakantie. Rie zei: “ga maar voor je 25 jaar trouwe dienst een nieuwe motor kopen”. Wie zou dat van zijn vrouw krijgen? Het werd een 55 pk Johnson. Loek stuntte veel en had al een paar keer een ongeval gehad en zonder helm mocht hij niet meer van ons skiën. Petra, kon ook goed skiën en zelfs Rie stond op de waterski's.

Ik had er niet zoveel zin in, want zonder bril kon ik niet veel zien als het vlug ging en ik vond het varen veel leuker. De meiden moesten Rie helpen, Loek moest elke dag 40 liter benzine halen en Rob en ik maakten de boot klaar. Wij hadden nog steeds 4 weken vakantie terwijl andere mensen 14 dagen en 2 snipperdagen hadden.

Toen werd Joop ziek en binnen een week was hij dood, aan een vergroot hart, dat werd steeds groter. Daar hebben we veel verdriet van gehad. Op het werk ging het niet goed en ik had er niet veel zin meer in. Houtenbrink zei: “ga jij met je vrouw maar op vakantie”. Dus wij de Transit ingericht als camper en via Duitsland naar Oostenrijk, eerst Salzburg en toen Wenen.  Er was een conferentie van wereldleiders en veel kastelen en burchten waren gesloten en toen vroeg Rie is het ver hier vandaan naar Domaso? Och 800km zei ik, maar als je wilt gaan we. Wij sliepen op de camping in het huisje van Boxman, maar het weer was niet al te best en we gingen weer terug naar huis. Eenmaal terug op het werk zei Houtenbrink, het is nog niet goed ga nog maar een weekje en neem de Peugeot mee, de benzine mag je declareren. Wij naar Londen in een hotel, maar na een paar dagen begon het te sneeuwen en gingen we naar huis. Ik was weer oké en kon er weer tegenaan.

We waren weer eens in Domaso en het surfen was in opkomst. Natuurlijk hadden wij ook een surfplank. De bekende Windglider. Wij zouden een surfwedstrijd organiseren en Loek zou met potlood en papier alles opschrijven. Petra haalde het geld op en ik nam de maat van de achterkant van de plank, maar dat was voor de flauwekul want elke plank is anders van achteren. Alle surfers stonden in de rij om mee te mogen doen. Iedere deelnemer moest 1000 lire betalen, wat in die tijd ca. 60 cent bedroeg, waar je net een ijsje voor kon kopen. Niels de Weyse was 16 jaar en die zei tegen mij, "wat is dat voor flauwe kul" ik gaf hem een knipoog en hij begreep het. Uiteindelijk kreeg iedereen een ijsje en wij hadden reuze lol.

In die tijd was de benzine nog te koop bij de A.N.W.B. op coupons en iedereen die een rondje wilde skiën betaalde met een benzinebon. Wij heten dan ook al gauw skischool Dörr. Toen kostte de benzine 2.50 gulden per liter in Italië.

Petra ging zich in 1978 met Rob verloven en wij zouden een feest geven voor de familie op de Papaverweg, want daar hadden we de ruimte. De Grove kraan werd met een groot bord met Rob en Petra erop aan de weg gezet, zodat iedereen kon zien waar het was. Er kwamen 54 mensen en ze zouden allemaal blijven eten. Ik had een B.B.Q. gemaakt van 2x2mtr en die konden we binnen en buiten gebruiken Rie had kippenpoten worstjes saté, gehaktballen, rijst enz. gemaakt. We begonnen om 7 uur, maar om 11 uur werd het B.B.Q. vuur nog even opgestookt, want er was nog zo veel over. Janny mijn nicht stond er bovenop met haar rok het vuur weer op te stoken. Het was dan ook goed de hele familie bij elkaar te hebben. Het werd een feest om nooit te vergeten.

Wij zaten naast Groenpol en toen een chauffeur een betonnen afscheidingswand omver reed, kwam er iemand van Groenpol op hoge poten aanzetten. Dat wordt betalen. Ik herkende hem meteen, want toen ik daar 35 jaar geleden werkte was hij kantoorklerk en controleerde de werkbriefjes. Wij noemden hem Thijs is niet goed wijs. Nou Thijs zei ik een beetje minder kan wel hè? Kent U me dan, vroeg hij. Ja zei ik, vroeger noemden wij jou Thijs is niet goed wijs en je zag aan zijn gezicht dat hij me herkende. Zonder gedag te zeggen liep hij weg. Ik naar binnen, de tekeningen erbij en toen bleek dat de afscheidingwand op ons terrein stond en van ons was. Toen Thijs weer langs kwam zei ik “je moet je huiswerk over doen die wand is ons”. Ook de Papaverweg was ons geen lang leven beschoren. Op zekere dag kwam Houtenbrink weer, “Lou wil jij de Papaverweg ontruimen en leeg opleveren”? Dus toen was er weer werk en verdienste.

De Grove kraan ging naar Kampen daar was een scheepswerf van Oving en er werd gevraagd of ik die mensen wilde leren met de kraan om te gaan. Het duurde een week voor ze ermee durfden te werken. Weer moest ik heen en weer rijden. Het pand werd verkocht aan het leger en later aan Bouwvaria. Op een dag moest ik op het kantoor komen en daar werd verteld dat de Cruqiusweg ook gesloten zou worden. Er kwam een afvloeiingsregeling voor iedereen, maar zij die zelf weggingen kregen een premie mee. De helft vertrok en ik kreeg weer de vraag of ik het pand leeg wilde opleveren. Uiteindelijk had ik ervaring. Toen ik klaar was moest ik blijven om de eventuele kopers op het terrein te laten. Het stond te koop voor 3,5 miljoen. Ik ging nog steeds goed om met Bleyenberg en uiteindelijk kocht hij het pand. Rie en ik waren blij dat we er niet waren komen wonen. Ik kreeg van de makelaar 2000 gulden op mijn rekening gestort.

Houtenbrink vroeg of ik zin had om in Rotterdam als monteur te komen werken. Kluth was er chef technisch dienst, en twee chefs gaat niet. Alles ging in goede harmonie en we hadden veel lol. Als ik ‘s avonds thuiskwam had ik nog pijn in mijn kaken van het lachen. Ik moest wel elke dag heen en weer 200km, maar ik kon goed met Kluth opschieten. Hij had eens een Gedore doppendoos van een vertegenwoordiger gekregen en die zou hij in de pauze verloten. Hij zei tegen mij "raad 5", meer zei hij niet. Toen het pauze was dacht ik, die neemt me in de maling en ik dacht zal ik een ander getal zeggen, maar ik koos toch 5. Hij zei een getal onder de 5 en er word niet vals gespeeld, Lou mag omdat hij te gast is als eerste kiezen, ik zei 5 en hij tilde zijn schrijfmat op en er stond 5. Later zei hij, de andere monteurs kunnen niet sleutelen.

Ik zou naar Rotterdam verhuizen en kreeg diverse woningen aangeboden, maar de ene te groot en de andere te klein. Rie vond het allemaal maar niets en dus bleef ik een jaar lang heen en weer rijden. Op een dag, het was winter en er lag veel sneeuw. Ik was een beetje laat en er stond een auto een trailer aan te koppelen, het was donker en ik wou achter de trailer langs en ik had de volgende trailer niet gezien. Opeens een dreun op het dak van mijn Peugeot. Ik dacht dat zijn geen geintjes van de jongens, stapte uit en ik zat onder de koppelingspen van die trailer. Er zat een groot gat in het dak van mijn auto. Ik zette de Peugeot naast het kantoor en ik naar Piet v.d. Vliest. Heb je een andere wagen voor me, want deze lekt. Dat kan niet we hebben nooit klachten gehad over lekkage, nou kom dan maar mee naar het raam dan kan je het zien. Hoe kan dat nou vroeg hij. Ik vertelde het, maakte een schaderapport en kreeg een andere wagen, een Ford Taunus automatiek. Daar wilde anderen niet mee rijden, maar ik vond het prima. Op den duur was elke dag 3 uur rijden toch wel veel en daar was Rotterdam het mee eens. Ik kon echter pas over 2 maanden later weg, want dat was de opzegtermijn.

Er moest nieuwe verlichting in de grote loods komen, dat kon alleen s'avonds als er geen schepen werden gelost, maar niemand had zin om s'avonds te werken. Kluth zei “we willen het wel aannemen, Lou jij kan goed met Houtenbrink opschieten, maak jij het maar in orde”. Voor 8000 gulden zouden we het doen. We waren met 5 man en ik had berekend dat het 5 avonden en een zaterdag werk was. Eerst was het te duur, maar later toen de tijd drong, moesten we het toch doen. Wij overdag alle lampen voor gemonteerd, het waren 60 lampen, en overal nieuwe draden getrokken, alles in Oving zijn tijd. We zouden een vrijdagavond doorwerken en een zaterdag. We hadden alle lampen al naar boven gebracht en op de bovenloopkranen gezet die waren 22 mtr hoog en reden 2 mtr onder de lampen door. Met 4 man deden we een half uur over een lamp. Het ging zo goed dat we om 3 uur klaar waren en naar huis gingen. Maandagmorgen ging ik naar Houtenbrink en die zei, ga maar geld halen bij de kas, je bent een smeerlap, maar afgesproken is afgesproken. Kluth had niet meegedaan en de jongens wilde niet met Kluth delen. Ik zei, dan deel ik wel met hem. Eerst wilde hij het niet aanpakken, maar later zei hij dat zijn nou mijn mensen. Hij bedankte me en ik moet zeggen, ik ben er later niet slechter van geworden.

Kluth had een hele boerderij bij elkaar gestolen, want met werken kon dat niet. Hij fokte varkens en had een caravanstalling. Rie en ik gingen wel eens op visite zondags en werden altijd heel goed ontvangen. We kregen dan fruit uit de boomgaard mee en toen hij eens een nieuwe keuken kocht, konden wij de oude met kastjes en al meenemen. Die staat nog steeds bij ons in de keuken. Petra wilde graag een caravan hebben en we kregen een hele mooie voor weinig geld.

Bleyenberg vroeg me of ik een keertje met hem mee wilde gaan naar klein Lourdes, dat is in België bij Gent. Hij was erg ziek en zat in een rolstoel en natuurlijk deed ik het. Ik ben helemaal niet gelovig, maar ik raad een ieder aan dat te gaan zien. Het was indrukwekkend. Ik ben er twee keer met hem naartoe geweest en later met Rie alleen. Bleyenberg vroeg of ik bedrijfsleider bij hem wilde worden want zijn zoon was pas 22 jaar. We werden het over het loon eens en ik begon weer op de Cruqiusweg. Twee weken later overleed Bleyenberg. Ik werkte er twee maanden en ontdekte dat de zoon grijpers zwart verkocht. Hij woonde op het terrein en als ik ‘s morgens kwam, was er weer een grijper weg. Toen ik hem daarover aansprak, moest ik me nergens mee bemoeien. Na een maand was het bedrijf failliet en stond ik op straat. Omdat ik zelf ontslag had genomen bij Oving en nog geen 6 maanden bij Bleyenberg had gewerkt kreeg ik W.W. met het minimumloon. Dat was een hele tegenslag. Ik heb nog een proces gevoerd en de rechter zei U heeft gelijk, maar de wet is nu eenmaal zo.

Toen solliciteerde ik bij Rijkswaterstaat, want ze hadden een Chef Coentunnel nodig. Ik kreeg met nog drie anderen een rondleiding Er werkten daar 40 man, maar ik was te oud. Omdat ik een uitkering had moest ik me elke week melden en daar zat een vervelende vent. Op een keer zei hij als u dat niet doet verminderen wij Uw uitkering. Ik werd kwaad en zei “je bent een grote boerenlul want ik sta al op het minimum”. Het viel voor Rie niet mee Maar gelukkig hadden we een paar centen achter de hand. Maar 13 jaar het minimum salaris, dat viel niet mee. Rie zei laat ze de vlooien krijgen, je hebt lang genoeg gewerkt, 39 jaar. Loek heeft het goed en Petra ook, weet je wat wij doen, we gaan naar Domaso en doen kalm aan. In het begin had ik het moeilijk maar Rie heeft me goed opgevangen.

Reisverslag van 1965 tot heden

Het verslag is bedoeld om de mooie herinneringen die wij hebben gehad vast te leggen voor onze kinderen en kleinkinderen. Die vragen later, hoe is dat gegaan en dan krijgen ze het uit de eerste hand. Als je van reizen houd, moet je wel zorgen dat het samen met iemand is die daar ook van houd, want dan geniet je dubbel. Ik heb aan Rie een maatje gevonden in het reizen. De armoede houd ons netjes, anders hadden we een wereldreis met een camper gemaakt, zoveel willen we nog zien. Als alle mensen voor de helft mogen beleven wat wij hebben gezien, dan mogen ze zich gelukkig prijzen en wie weet wat we nog meer doen, we hebben nog meer dromen en dromen is toch ook reizen.

Ik ben nog vergeten te vertellen dat mijn moeder vieze liedjes had zo van Jullie haantje, jullie haantje wat een mooie meid is dat. En als wij dan zeiden moeder toch, zei ze, ik zing gewoon Juliaantje. En als je geen zin in school had dan zei ze, als je morgen naar school gaat en de meester vraagt waar je was, dan zeg je maar ik had pijn in mijn haantje, daar kijken ze toch niet naar.

En als je geen roggebrood lustte zei ze,

  • Wil je worden groot en sterk
  • Altijd opgewekt naar je werk
  • Nooit meer zuchten, nooit meer klagen
  • Zware lasten kunnen dragen
  • Stappen nemen als een reus
  • Nimmer twijfelen bij een keus
  • Moedig zijn in grote nood
  • Eet dan Kouwenberg roggebrood

Nou dan at je roggebrood maar op, maar als ik nu nog roggebrood eet denk ik daar nog aan.

Nu de vakantie vanaf 1965

Wij gingen met de V.W.bus voor het eerst met vakantie naar Zwitserland, want daar had ik veel over gehoord en nu de kinderen groter waren moest dat kunnen en alleen de voorbereiding was al heerlijk. De eerste nacht gingen we slapen op een camping aan de Rijn, maar we stonden aan het water en Rie zei, zoek maar wat anders, dus wij naar boven en daar was een mooie camping met een prachtig uitzicht over de Rijn.

De volgende dag door naar Zwitserland, maar toen we in de middag moe waren zochten we in het Zwarte woud we weer naar een camping, want uiteindelijk hadden we vakantie. De volgende dag gereden tot aan Davos, we stonden boven op een berg overdag prachtig maar ‘s nachts vroor het als een idioot. We zijn er twee dagen gebleven, maar toen hoorden wij van een Belg dat het zo mooi weer was in Italië en we moesten voorzichtig zijn met Petra, dus wij weer inpakken en op weg naar Italië. We waren de bergen nog niet over of we hadden het heet, maar toen we het raam open draaiden kwam de hitte naar binnen, dus wij met open ramen verder.

De eerste camping die we tegen kwamen was aan het Comomeer in Gera Lario maar dat was meteen aan het water met een soort wallenkant van een meter hoog en Rie zei dat is te gevaarlijk voor Petra zoek maar wat anders, dus wij weer verder, de eerstvolgende camping was Gefara in Domaso nou dat was meteen prijs, daar was alles prima, langzaam aflopend strand eenvoudig maar gezellig. We vonden het er prima dus de rest van de vakantie bleven we daar.

We leerden er Daniëlmeyer, Lips en Boxman kennen. We hadden een goede keus gemaakt want we zijn tot nu toe nog steeds goede vrienden. Lips en Daniëlmeyer hadden ook kleine kinderen, Boxman had een caravan en een filmcamera, nou dat wilde ik ook wel en toen we terug waren in Holland kreeg ik van Rie voor mijn verjaardag een filmcamera. Vanaf die tijd heb ik altijd gefilmd. We hadden een heerlijke vakantie in Domaso en waren verliefd geworden op Italië.

Boxman had een Sprite caravan en Rie was daar helemaal weg van, dat merkte ik meteen, maar dan hadden we ook weer een andere auto nodig. Dus toen we weer thuis waren moesten we uitkijken naar een andere auto en het geluk was weer met ons, voor een koopje kochten we een Mercedes 180. De V.W.bus verkochten we en toen zochten we een Sprite caravan want dat was de beste, maar die vonden we ook snel en toen was het spul compleet, we reden erin als vorsten.

Met de kerst gingen we om de tafel zitten om te bespreken waar we de volgende vakantie naar toe zouden gaan. Ik wilde graag een trip door Europa maken, maar de kinderen wilde terug naar Domaso, dus werd er gestemd Loek en Petra stemde voor Domaso en Rie sloot zich bij de meerderheid aan, dus werd het weer Domaso. Eerst gingen we een proef nemen met de caravan naar Kootwijk, maar alles ging prima.

Het werd 1966 en we vertrokken weer naar Italië, maar dat was met de caravan 2 dagen rijden. De eerste overnachting maakte we in Baden-Baden op een rastätte, want dat scheelde weer camping geld en konden dan de volgende morgen weer vroeg vertrekken, Amsterdam -Baden Baden is ongeveer de helft van de reis. De volgende dag door Zwitserland, toen moesten we nog over de St. Gotthard en dan stonden er heel wat auto's te koken, maar wij kozen om de auto en caravan op de trein te zetten, dat was toch ook weer een belevenis voor ons.

Het hele jaar moesten de kinderen punten verdienen om mee te mogen, Rie kreeg meteen 100 punten omdat ze het hele jaar voor ons zorgde, maar een dag voor de vakantie hadden de kinderen ook 100 punten verdiend. Maar als we er dan ook waren was het feest. We konden dan tripjes maken in de omgeving, maar het liefst speelde de kinderen toch in het water en als de kinderen het naar hun zin hebben, hebben de ouders het ook rustig.

Boxman had een speedboot en Loek mocht waterskiën bij ze leren. Ook Werner had een speedboot, dus er was aanbod genoeg en als er wat stuk ging dan was ik er om te repareren. Met Werner Boxman en Lips hielden we ook s' winters contact, Werner en zijn vrouw twee kinderen en omi kwam bij ons logeren in Amsterdam dus 5 man en wij met ons vieren was samen negen man, maar bij Rie kan altijd alles.

bsuOok gingen we veel naar Daniëlmeyer in Bad Salzuflen die hadden een huis met 16 kamers dus plaats genoeg.

Het was onder tussen 1968 geworden en toen vroeg Werner of ik interesse had in zijn Mercedes, want die was 5 jaar oud en afgeschreven van zaak. Nou dat hadden we wel, maar we moesten hem zelf importeren, maar dat was geen punt.

We gingen meestal in het najaar naar Werner voor een paar dagen en verkenden dan de omgeving, zoals Hermans denkmal, het kuuroord Bad Salzuflen, Dumorsee, ja we zagen genoeg van dat gedeelte van Duitsland.

Ook maakten we toen veel werk om Parijs te bezoeken met de Pasen, want dat hoorde bij de opvoeding, 8 jaar achter elkaar bezochten we Parijs en leerden een hoop over de cultuur van Frankrijk. In 1969 kwamen Anne en George over uit Canada en gingen mee naar Domaso. Met zes man in de auto dat viel niet mee maar het was erg gezellig, Anne en George in het huis van Ida en wij in de caravan, George werd gevraagd om in de jury te zitten van de verkiezing Miss Domaso. Die vond dat erg interessant.

In 1970 gingen we met z'n allen naar Canada op vakantie, Loek ging meteen met zijn neef Rob mee naar een lodge om te werken als oppasser bij het water. We zagen hem alleen als hij vuil goed had. Wij bezochten de Niagara watervallen en diverse andere interessante plaatsen zoiets zie je niet veel in je leven. Maar als je de gelegenheid hebt om zoiets te doen moet je het niet nalaten. Het waren maar 3 weken eigenlijk veel te kort maar er moest ook gewerkt worden om geld te verdienen voor de volgende vakantie. In 1971 gingen we weer naar Domaso, om te genieten van de heerlijke zon, want dat is er de hoofdzaak van dat we er steeds weer naar toegaan.

In 1972 gingen we weer naar Canada, want we hadden de eerste keer niet alles gezien. De zoon van Anne, Rob was bij de politie en nam Loek meteen mee naar de dienst 500km verder in Canada. Daar had hij een kamer en daar kon Loek ook slapen en als hij dienst had nam hij Loek mee in de politieauto. Wat ze daar uitgehaald hebben weet ik niet, maar ze hadden wel veel lol. Wij gingen weer veel van Canada zien en geloof me we werden verliefd op Canada. Anne vroeg toen of we geen zin hadden om te emigreren, zij zou garant staan voor ons, maar je weet wij hebben altijd geluk en binnen de kortste tijd had ik een baan bij een betonfabriek als onderhoudsmonteur, een huis was geen probleem. We moesten alleen in Holland alles in orde maken, maar toen we eenmaal thuis waren en alles nog eens op een rijtje zetten, i.v.m Loek zijn studie, toch maar niet gegaan. Of we daar goed aan gedaan hebben weet ik niet, maar je moet nooit achterom kijken.

Toen we in 1973 terugkwamen uit Italië, belde Anne op, ze was ziek van heimwee, en ik zei tegen Rie ga jij maar naar haar toe alleen, nou Anne sprong een gat in de lucht, ik bleef met de kinderen thuis tenminste met Petra, want Loek zat in militaire dienst.

Na drie weken kwam Rie terug en zei dat Anne en George naar Holland wilde verhuizen. Het jaar daarop vroeg ze of wij voor een huis en auto konden zorgen, het werd een huis in Lelystad, wij alles inrichten, de auto werd een Crysler en een job voor George bij de Amerikaanse ambassade in Den Haag als chef kok, geloof me we hadden er veel werk aan.

Maar naar een paar maanden was de rit van Lelystad - Den Haag voor George toch wel te veel en verhuisde ze naar Den Haag. Wij hadden voor Terry ook een flat verzorgd in Den Haag, maar dat Anne en George daar ook gingen wonen wisten we niet, maar van die tijd af ging het niet zo goed meer tussen ons. Plotseling waren ze terug naar Canada. Terry bleef achter en begreep, waarom ze weg waren gegaan, maar een maand later was ze ook terug naar Canada. Niemand wist waarom, ook de hele familie niet, maar als ze niet willen oké, het had ons alleen maar geld en tijd gekost

Jaren later kwam ze terug naar Amsterdam met haar kleindochter, wij waren in Italië, maar toen belde ze Wil op, ze logeerde in De Gouden Leeuw op het Damrak maar dat was zo duur, Wil moest haar ook niet meer en Rie had haar buik er vol van en al als Rie eenmaal een hekel aan iemand heeft, nou dek je dan maar. Dus dat was het einde van Canada.

In 1974 kochten we een nieuwe caravan en maakte daar ook weer in het voorjaar veel reizen mee. Domaso was toch wel ons favoriete vakantie land. Voor Rie kocht ik een Renault 16 TS, om de caravan te trekken en met de dienstwagen van Oving reed Loek met de Speedboot naar Domaso. Maar we vonden dat niet gezellig, Rond de tafel zittend werd besloten, caravan en Renault weg te doen en een bus terug te kopen waarin we met ons zessen konden en de speedboot er achteraan. We hadden een tent gekocht waar Rie en ik in sliepen, Loek en Petra hadden hun eigen tent.

In 1977 ging Petra zich verloven met Rob v.d. Elst en die moest natuurlijk ook mee van daar we met ons zessen waren. De broer van Rie uit Australië Wim Bloemendaal kwam over en wilde ook wel mee naar Italië, maar of ik dan wel even een auto voor hem kon versieren en ja hoor daar ging ik weer, het werd een V.W wagen en dan zou hij van uit Domaso door gaan naar Frankrijk met zijn auto, dus Rie moest voor 7 man koken, dat was Rie haar vakantie.

Loek haalde elke dag 40 liter benzine, Rob moest water halen, Petra moest Rie helpen en ik maakte de boot klaar om te skiën, zo hadden we allemaal onze taken.

In 1978 overleed Joop. Daar hadden we erg veel weet van en dat had een terugslag op mijn werk. Toen de ingenieur op het werk kwam, stuurde hij mij met vakantie. We pakte de Transit bus maakte er een bed in en een keukentje, heel eenvoudig en vertrokken naar Oostenrijk. Via München en Salzburg kwamen we in Wenen, bezochten het Prater, Schönbrun, maar de meeste kastelen waren gesloten i.v.m. een olieconferentie. Toen zei Rie is het ver weg naar Venetië? Maar ik zei nee hoor, wij langs de Donau over de Alpen naar Venetië. Daar de auto op een Camping neer gezet en Venetië in.

Venetië dat is een stad waar zoveel te zien is. Voordat je er naartoe gaat, moet je eerst wat boeken over Venetië lezen, zodat je een beetje weet wat er te zien is. Wij hadden dat niet gedaan, en hier door veel gemist. Gewoonlijk doen we dat ook, maar omdat we er plotseling naartoe gingen, konden we dat niet doen, dat wil niet zeggen dat we niet genoten hebben in tegendeel wat denk je van de brandweer over het water ambulance, politie, trouwen en begrafenis, alles per boot. Aan de buitenkant van de stad de auto neer gezet en met de boottaxi naar het St. Marcoplein. Daar is zoveel te zien aan winkels kerktoren met carillon, die elk uur slaat maar dan met een grote hamer door twee beelden. Wij terug lopen door de nauwe straatjes naar het station en van daaruit naar de camping terug en de volgende dag weer. De volgende dag door naar Domaso, daar twee dagen gebleven en toen terug via Duitsland naar huis.

Toen we thuis waren, was het verdriet nog lang niet over, maar ik ging weer terug naar het werk. Maar dat liep niet helemaal goed. De ingenieur zag dat het nog niet goed zat en zei "Ga nog maar een weekje weg". Dus wij met z'n tweeën naar Engeland met de dienstwagen en in een hotel. We namen meteen een citytour en genoten van alles. We liepen langs een plein, en daar stond een stalletje met kidney-pie, we k onden er niet opkomen wat dat was, maar we kochten er toch een om te proberen. We namen alletwee een hap en het smaakte heerlijk, maar toen zei Rie ik weet wat het is, niertjes, wij naar de goot en spuugden het uit. Wat raar hè, eerst vind je het lekker en dan als je weet wat het is spuug je het uit. Wij belden met Petra en toen verlangde we weer naar huis, en was de narigheid over.

In 1978 waren we 25 jaar getrouwd en Rie zei: “koop maar een nieuwe motor voor je boot”. Het werd een 50 p.k. Johnson, maar daar over later. We hadden weer reislust en ik zei: “we nemen weer de bus en gaan naar zuid Frankrijk”. Dus de bus weer ingericht en via België naar Luxemburg daar het graf van Patton op het Amerikaanse oorlogskerkhof bezocht, daar word je stil van al die jonge kerels veel te vroeg overleden. Wij door naar Frankrijk tot aan Grenoble, daar de route Napoleon genomen dat is iets onvergetelijks, wij zaten lekker in een auto maar als je dan denkt dat al die soldaten helemaal naar Italië moesten lopen.

Overal waar Napoleon had overnacht was een gedenkteken, het was misschien 100 k.m. maar wij deden er twee dagen over. We reden door naar Grasse, dat is de streek waar de lavendel groeit, en dat ruik je al van ver. Toen via San Raphaël, Cannes, Antibes, Nice, Monaco, Monte Carlo, naar Albenga, waar we wilden overnachten, maar het was vakantietijd voor de horeca en bijna alle hotels waren gesloten. Maar uiteindelijk het was al donker vonden we een soort café waar we konden over nachten. Dus wij naar boven heerlijk gedoucht, en geslapen. De volgende dag wilde we ontbijten en kwamen in een eetzaal terecht waar wel 100 man in konden, bleek later, we waren de bar ingegaan, want het hotel was gesloten. Er waren alleen een paar kamers voor noodgevallen. Wij de volgende dag via Turijn naar Domaso. Rie en ik vinden bijna altijd alles hetzelfde. Zodoende zijn we nog steeds bij elkaar.

In 1980 kwamen we terug vanuit Italië en toen stond Opa Bloemendaal weer voor de deur. Hij huilde, zijn kleinzoon David ging over 5 dagen trouwen en hij wilde daarbij zijn. Rie wilde niet meer mee en zei: “ga jij maar met hem mee”. De volgende dag dus snel naar de ambassade in Den Haag voor een visum. Ik liet de trouwkaart zien en vertelde dat ik bij de P.T.T. had gewerkt en dat ik politiek betrouwbaar was. Ze belden naar de P.T.T. en het was oké. Toen naar Schiphol voor een ticket, maar dat kon alleen als we direct betaalden. Dus terug naar de bank geld halen en naar Schiphol. Rie was ondertussen de koffer aan het inpakken. De volgende morgen naar Australië. 36 Uur later landden we in Sidney en de volgende dag was de trouwerij. Rie had gelijk gehad. Hij vroef de hele dag: “wat zeggen ze?”Australië is prachtig, maar met opa was het een ramp. 3 Weken later waren we gelukkig weer thuis.

Ik had een jaar in Rotterdam gewerkt en was onder tussen 52 jaar en ik had eigen lijk genoeg van werken, en toen zei Rie je hebt genoeg gewerkt de kinderen zijn de deur uit en nu gaan wij genieten. We hadden de laatste twee jaar met een tent gekampeerd, we kochten weer een caravan en brachten die naar Domaso,

 

cWe konden de caravan stallen bij Emiglio op de fabriek in Domaso. Eigenlijk wilden we een vaste plaats op de camping, maar die was er niet. Toen zei Gertie [dat was een Duitse die er al jaren stond] er komt een plaats vrij.

Wij naar Ida, maar ze had de plaats al aan een ander beloofd. Na twee dagen was hij nog niet verhuurd en toen ging ik naar Ida en wapperde met geld. Zij zat net zonder geld en toen mochten wij er gaan staan, dus hadden we weer geluk.

Toen we dan ook het jaar erop kwamen konden we meteen slapen dat was toch wel luxe. Wij hadden een voortent en dat was in het voorjaar toch wel koud, speciaal voor Rie met haar longen, ik wilde een houten hut ervoor bouwen, maar dat mocht niet van Ida. Toen er dan ook na een paar jaar naast ons een Italiaan zijn caravan verkocht waren we er als de kippen bij.

rDe prijs weet ik niet meer, maar er stond een houten hut voor. Met toestemming van Ida mochten we een nieuwe voorbouw maken, en die werd natuurlijk iets groter.

Loek en Marga waren er nog en toen we binnen kwamen zag het er verschrikkelijk uit. Maar met water en zeep doe je een heleboel. Toen naar de notaris in Como voor de papieren dat kostte ook weer geld. Wij naar huis in September en materiaal kopen om de hut te bouwen. We hadden weer geluk, allemaal koopjes.

hMet de aanhanger reden we weer naar Domaso en de oude hut werd afgebroken. Van staal een skalet gemaakt bekleed met hout. 14 Dagen later was het dicht en gingen we naar huis.

De oude caravan verkocht ik aan Henk Jan, die zit er nu nog in en is er dolblij mee.  Tot nu toe zitten wij er nog steeds, alleen missen we Rudy en Gertie wel eens om te lachen, als je 4 maanden tegenover je staan en dat wij de enigen waren door de week (de Italianen waren er alleen gedurende het weekend) , dan hadden we het er erg gezellig.

Petra woonde op zichzelf en leerde Maikel, haar buurman, kennen. Petra ging met ons mee naar Domaso, maar die twee waren verliefd en belden elkaar iedere dag. En toen zei Rie weet je wat jij moet doen, laat die knul overkomen dat is goedkoper. Na twee dagen kwam hij met de trein aan in Lugano. Petra en Maikel hadden een heerlijke vakantie. Ze trouwden vrij snel en in 1984 werd Benjamin geboren. Maar ze wilde toch wel graag naar Domaso met vakantie, zij kwamen met het vliegtuig naar Milaan waar wij ze ophaalden.  In 1985 werd er een caravan gekocht bij een collega van mij. Wij brachten de caravan naar Italië, en Maikel, Petra en Ben kwamen met de auto. In het begin dacht ik, Maikel is een komediant. Maar hij was heel erg lief voor zijn gezin en nu is het mijn favoriete schoonzoon. In 1985 werd Marloes geboren, en kwam Petra met twee kinderen weer naar ons toe vliegen en Maikel zou later met de auto komen, het was wel druk voor Rie maar Petra had een heerlijke vakantie.

hWij stonden permanent van Mei tot September in Domaso en in 1987 werden we door de Italianen uitgenodigd, om drie dagen in de bergen te komen logeren. Boven op de berg Giove ongeveer 30 km van Domaso. We waren er met 30 man en sliepen in een oude grenskazerne verdeeld over twee slaapzalen. Maar de eerste nacht was het al mis. Winden en boeren laten, licht aan, deur open en dicht en alle ramen potdicht. Dus wij de volgende dag onze matrassen meegenomen en in een van de twee keukens, die toch niet gebruikt werd onze matrassen op de grond gelegd, ramen wijd open en heerlijk slapen. Wel koud maar lekker fris.

We verkenden de omgeving en Lugano, wat maar 40 km van ons vandaan was. Of we gingen naar St.Moritz, dat was 60 km van ons vandaan en dat was net genoeg om een heerlijke dag te hebben. In het voorjaar hadden wij het heerlijk rustig, maar eind Juli en Augustus kwamen Loek en Marga, Petra, Maikel, Ben en Marloes en Henk Jan. Dus met negen man en Rie, die veel van koken houdt, maakte het eten om twaalf uur klaar. Dan kon iedereen mee-eten en daarna konden ze doen wat ze wilde en hoefden niet af te wassen. Ontbijt en avond eten moesten ze zelf voor zorgen. Maar je weet als het gezellig is, kwamen ze ‘s avonds een kopje koffie drinken.

vIn 1989 werd ik 60 jaar. Van Rie en de kinderen kreeg ik een vliegles aangebo den. Want ik had nog nooit een vliegtuig bestuurd en dat wilde ik graag. Dat was in Hilversum. We stegen op en toen gaf hij mij het stuur en vroeg waar we naartoe zouden gaan. Via Amersfoort vlogen we naar Soesterberg, waar ik in dienst had gelegen, maar moesten wel eerst toestemming vragen aan de vliegbasis Soester berg. Dat is weer een van die dingen die niet veel mensen meemaken.

In 1990 waren Rie en ik weer eens op de Giove, en toen we thuis kwamen kreeg ik mijn eerste hartaanval, de dokter erbij en die zei dat is astma. Na een paar weken gingen we weer naar de Giove, en ‘s avonds weer een aanval. Weer een dokter erbij en die zei ook dat het astma was. Maar ik voelde me niet lekker en toen zei Rie we gaan naar huis. Onze eigen dokter stuurde me direct door naar het ziekenhuis. Daar werd geconsta teerd dat ik twee hartaanvallen had gehad. Lekker hè die doktoren in Italië.

In 1993 hadden Loek en Marga een huis in Kreiensen bij Hannover gehuurd en wij werden uitgenodigd om een weekendje te komen. Het was een heel mooi huis met een mooie omgeving en het was erg gezellig. Op de terugweg gingen we naar Werner in Bad-Salzuflen, want die hadden we al jaren niet gezien. Maar toen Werner de deur opendeed schrokken wij, zo slecht zag hij er uit. Hij vond het erg fijn dat we langs kwamen en vroegen of we bleven slapen, maar dat wilde we niet. Het jaar daarop, in 1994, is hij overleden. Die had zijn hele leven gewerkt en met 62 jaar dood. Dan heb ik tot nu toe wel meer genoten.

Maikel kocht in 1993 een zeilboot in Amsterdam die werd opgeknapt en moest natuurlijk naar Domaso. Dus daar gingen we weer met zeilboot, maar omdat we niet hard konden rijden gingen we in het Zwarte-Woud overnachten. Dat jaar waren we 40 jaar getrouwd en maakten een groot feest op het strand met B.B.Q.

Dat jaar kwamen Ben en Marloes alleen met het vliegtuig naar Milaan. Nou dat was toch wel wat voor een vader en moeder om hun dierbaarste bezit alleen te laten vliegen. Alitalia was erg voorzichtig en belden Ida op wat voor mensen wij waren. Ida zei dat ze voor ons instond en toen we ze dan ook afhaalden moesten we eerst ons paspoort laten zien en tekenen voor ontvangst. Ik vroeg en als we nu niet op tijd waren geweest toen zei die stewardess, als U er na twee uur niet was geweest hadden wij ze teruggestuurd, Ik belde Petra op dat ze er waren, maar ze wilde ze zelf horen. Leo kwam met een watervliegtuig naar Domaso, en vroeg of ik mee wou een rondvlucht maken, maar hij stuntte nog al, en ik was een beetje bang voor mijn hart, en ik vroeg of Maikel met hem mee mocht. Op het laatste ogenblik gaf ik Maikel mijn videocamera mee en die maakte mooie opname van het meer Domaso en camping, die opnamen heb ik nog steeds.

sIn 1994 werd ik 65 jaar en kreeg ik van Rie en de kinderen een slipcursus aangeboden in Lelystad. Geloof me, dat moet iedereen doen, want je leert er altijd van. Ten minste als je een sportieve rijder bent, als je begrijpt wat ik bedoel.

In Maart 1994 wilde Henk-Jan een reisje maken naar Zwitserland, om plaats te bespreken voor zijn zuster in de vakantie. Hij vroeg of wij zin hadden om mee te gaan. Natuurlijk als er gereisd moet worden dan zetten we alles opzij. De eerste nacht bij zuurtje in het Zwarte Woud en toen naar Domaso bij Ida een paar dagen in haar huis. Het was weer erg gezellig, er lag wel veel sneeuw, maar dat is ook avontuur.

In 1995 gingen we weer op winterreis met Henk, een collega van Henk zou meegaan tot Stuttgart en wij verder door via het Zwarte Woud naar een vriend van Henk in de omgeving van Schaffhausen die had daar een boomkwekerij Na koffie te hebben gedronken door naar de watervallen van Schaffhausen. Dat is een imposant gezicht, dat water van de Rijn dat naar benenden komt. Toen via de St Gotthard verder naar Domaso. Lekker bij Ida geslapen en gegeten, in twee dagen de caravan nagezien en weer via Stutgard collega van Henk opgehaald en naar huis. We hadden weer een lekkere reis gehad.

gIn 1995 waren we weer in Domaso en liepen langs de boulevard op de Piazza. Aan het water lag een Aluminium boot en ik zei tegen Rie daar ligt mijn boot.

Die wilde ik graag hebben, maar zijn normaal niet te betalen. Hij behoorde toe aan de Surfshop op de Piazza. De boot was beschadigd, maar daar keek ik doorheen. Ik vroeg aan de eigenaar of hij te koop was. Ze vroegen 800.000 lire maar ik zei voor 500.000 neem ik hem mee.

Ze wilden niet verder zakken dan tot 600.000. Ik liep weg, maar Rie zei als je hem zo graag wilt, dan koop je hem toch. Wij terug en zouden de volgende dag geld halen en hem met de Marloes ophalen.

Ik had van Gino een trailer gekocht voor 100.000 lire, want zonder papieren was die trailer niets waard in Italië en de boot paste daar op. Daarna de Marloes te koop gezet voor 500.000 en die was snel verkocht aan een Duitser.

Van Loek kreeg ik een afstandsbediening voor de motor (die had hij geregeld bij een bedrijf wat veel werk voor hem uitvoerde en ook bootartikelen had) dus die er snel ingemaakt. Verder nog een speciaal race-stuur van Nardi. Toen Franco die zag, zei hij meteen “costa troppo” (kost veel). Van binnen en van buiten geschilderd en toen zag hij er als nieuw uit. En geloof me, we zijn er nog steeds gelukkig mee. De boot werd, toen wij er allemaal waren, gedoopt en gaat nu als Marga door het water.

We gingen een keer op vrijdag met de boot naar Colico om op de markt kip te halen . Op de terugweg rook de kip zo lekker, dat ik tegen Rie zei: “zullen we alvast een pootje opeten?” Maar dat smaakte zo lekker dat de hele kip op was voor we terug waren op de camping. De botjes hebben we overboord gegooid en onze handen in het water gewassen en klaar waren we.

Leo kocht in Gravedona boven op de berg 5 huizen en een kapelletje. Hij wilde die huizen laten verbouwen en gaan verhuren. Hij vroeg of wij zin hadden om daar huismeester te worden, maar daar hadden we geen zin in.

Het was ook het jaar dat ik Ben en Marloes leerde boot varen. Geeloof me ze deden het prima en haalden dan ook beiden hun “vaar-diploma”. Want als ze alleen met de boot het meer op gaan, moeten zij weten wat ze doen.

gToen we weer naar huis gingen zei ik tegen Rie Ik geloof we moeten maar een andere Uno kopen, want de oude Uno werd 10 jaar en als grote reizen maakt dan moet je wel een goede auto hebben.

Ik vertelde het aan Loek en die zei de volgende dag, ga maar naar Purmerend daar staat er een. Daar stond inderdaad een Uno maar kostte 12000 gulden en dat hadden we niet. Met veel loven en bieden en inruil van de oude Uno vroeg hij fl 8000. = -SOLD zei Rie meteen. Had je die verkoper moeten zien kijken, maar wij hadden hem. Ik denk dat Loek er wel mee te maken heeft gehad.

In Februari 1996 werden we weer verrast door de kinderen en Henk, we kregen een reis vanuit Italië, naar Rome aangeboden geheel verzorgd. Met de trein van Colico naar Milaan en dan met de trein naar Rome, dat hadden ze stiekem besproken, de reis het hotel en het eten, maar daarover later.

In Mei 1996 kwam Henk voor een week naar Domaso, en vroeg of we zin hadden in een rit naar Ftan, dat is een plaatsje in Zwitserland aan de grens met Oostenrijk. Zijn neef zou daar die zomer een cursus cello volgen en hij was benieuwd waar dat was.

Nou dat werd een hele mooie bergrit, Henk is een goede rijder waar je rustig mee kan gaan. Toen we terug kwamen lag er een kaartje van Lips of we zin hadden een weekje naar hun chalet in Adelboden te komen. Zoals gewoonlijk zeiden we ja, want avontuur dat trekt ons nog steeds. Het werd een mooie rit via het Lago Maggiore naar Goppenstein en daar met de auto op de trein naar Kandersteg en vandaar uit naar Adelboden, nou ze hadden inderdaad een prachtige chalet met een garage onder het huis waar we onze auto ook neer zetten. De volgende dag gingen we naar de Englise alp met een kabelbaan. Nou daar lag veel sneeuw en de zon scheen er heerlijk. Je had er een prachtig vergezicht over de omgeving en de volgende dag met de auto naar een andere berg, maar de laatste twee km moesten we lopen en toen we dan ook bijna boven waren, we zaten op 2000 mtr hoorde wij een oorverdovend lawaai het leek wel of er een straaljager laag over kwam, maar het was een lawine, ik had mijn video bij de hand en maakte er een mooie opname van. Walter zei dat gebeurd niet vaak dat is zeker omdat jullie er zijn. We maakten nog een paar mooie wandelingen in de omgeving en toen was het weer tijd om naar huis te gaan, want we moesten ook nog naar Rome. We moesten nog in Milaan plaats bespreken voor de treinreis. Dat kon alleen in Milaan, dus wij de volgende dag naar Milaan.

We gingen met de auto naar Colico en vandaar uit met de trein naar Milaan, plaats bespreken voor de trein naar Rome, maar toen wilden we meteen Milaan bekijken. Maar Milaan is niet veel aan. We gingen naar die mooie winkelstraat met de metro, nou die was wel mooi maar niets voor ons. Als je uit die winkelstraat kwam stond je meteen voor de Dom wij naar binnen alles marmer, wat een rijkdom Rie een kaarsje branden voor alle Italianen en toen naar de Scala maar die was gesloten en van de buiten kant is het een gewoon gebouw, het is namelijk in de oorlog beschadigd, maar ze gaan de buitenkant weer restaureren.

Toen we terug waren in Domaso moesten we ons ook weer klaarmaken voor Rome. 13 Mei vertrokken we met de bus naar Colico en toen met de trein naar Milaan daar een uurtje gewacht en toen naar Rome treinreis zelf is niet veel aan tunnel in tunnel uit, en met een snelheid van 150 km , als twee treinen elkaar passeerden dan sloegen je oren dicht van de luchtdruk. Maar we zaten bij het raam en konden alles zien. In Rome aangekomen liepen we meteen naar ons hotel dat was 200 mtr er vandaan, hotel Varese, wij uit pakken en een uurtje gerust en toen weer terug naar het station want er waren veel winkeltjes je liep overdekt en er was genoeg te zien. We wilde een stadstour maken en vroegen in het hotel wat dat koste 45.000 p.p. dat vonden we wel wat duur, maar toen we bij de bus halte waren vroegen we hoe we naar het Vaticaan moesten, daar was een hele aardige man en die zij om 3 uur een rondrit maakte met de gemeente bus voor 15.000, en duurde 3 uur. Nou meteen kaartjes gekocht en we zeiden dat we Hollanders waren want aan Duitsers hebben ze een hekel en hoe het kwam dat wij zo goed Italiaans spraken we vertelden dat we een caravan hadden in Domaso en toen zei hij mijn zuster woont in Gravedona hij stelde zich voor als Claudio en hij noemde ons Dutsie, en wij konden geen kwaad meer doen bij hem, en als we wat wilde weten over Rome gingen we naar hem toe.

Om 3 uur met de bus de rondrit we kwamen overal langs, en waar andere bussen niet mochten stoppen ging hij gewoon op de bushalte staan, want het was toch een gemeentebus We schreven alles op wat we de volgende dag lopend wilde zien, de bustocht zou 3 uur duren maar het werden 4uur en toen we terug waren op het station en door de hal liepen kwamen we langs King Burger en daar rook het zo lekker wij naar binnen en heerlijk gegeten want in een restaurant was niet te betalen. Wij de volgen de dag met de bus naar het Colosseum en vandaar uit lopend langs alle bezienswaardigheden en geloof me we genoten, en de volgende dag naar het Vaticaan, dat is zo imposant dat je er stil van word, de pracht en praal die daar is, en dan te weten dat er in de wereld nog zoveel armoede is.

Toen naar het Paleis van Victor Emanuel, naar de Spaanse trappen en de Trevie fontein waar we een muntje in gooiden want dan zou je terug keren dat was het geloof. Daarna naar het kasteel van St. Angelo, waar je boven op een prachtig uitzicht hebt over Rome, we hadden stiekem de dienst lift genomen want om naar boven te lopen had ik niet veel zin in. Bij het ontbijt hadden we een doggiebag en daar stopten we ons lunch in. Omdat we goedkoop hadden gegeten namen we nog een extra dag in het hotel.  Als je geld wilde hebben moest je naar het postkantoor en een uur in de rij staan want geld automaten kennen ze niet, alleen voor de banken, maar wij hadden alleen maar giro. Maar na 4 dagen waren we toch wel moe en verlangde naar huis. Ik had met Ida afgesproken dat als we laat terug zouden komen wij haar belden zodat ze ons kon afhalen als er geen bus meer reed. Tato kwam ons afhalen, wat lief van Ida hè.

1996 was ook het jaar dat Gertie en Rudie hun huisje verkochten want Rudie was niet meer oké. En Gertie zei je moet niet wachten tot je niet meer kunt. In 1996was ook het laatste jaar voor Boxman, en verkocht zijn huisje naast ons.

Hij wilde ook zijn speedboot verkopen, maar in Italië als er geen papieren bij zijn raak je hem niet kwijt, en hij vroeg dan ook of ik hem wilde verkopen, hij wilde er 8000 gulden voor hebben, Henk had er wel zin in, maar die twee spraken niet met elkaar, want die hadden ruzie gehad. Toen moesten we het zo spelen dat Leo hem zou kopen en dat Henk hem dan weer van Leo zou overnemen. Ik zei tegen Boxman dat Leo wel interesse had, maar niet meer dan 5000 wou geven. O nee zei Boxman dan neem ik hem zelf mee naar huis en verkoop hem in Holland. Maar naarmate de tijd verstreek kreeg hij het toch wel benauwd, en vroeg of Leo zin had om een ritje met de boot te maken. Nou Leo ging met hem mee, maar gaf geen antwoord, want uiteindelijk was ik de tussenpersoon. Een paar dagen voor hij naar huis zou gaan kwam Boxman naar mij toe en zei dat het goed was maar dat hij guldens wilde, ik ging Leo bellen en zeggen dat hij guldens wilde, zeg maar dat het oké is. Maar de tijd drong en Boxman zat op hete kolen. De laatste dag voor hij naar huis ging, kwam Leo met het geld, betaalde en liep weg en zei Lou die regelt de rest. Henk was al een week eerder naar huis gegaan, en was toch wel erg nieuwsgierig wat hij gekocht had, vroeg aan Maikel of hij zin had om een paar dagen mee te gaan naar Domaso, nou die vond het goed en 3 dagen later waren zij er en bleven een week om de boot te poetsen, en we hadden veel pret. Toen gingen we allemaal naar huis in September.

In 1997 werd Colin geboren en Loek en Marga zouden met Colin naar Domaso komen. Ik zag dat kleine kereltje al in een moderne kinderwagen over de stenen van de camping gaan. Dat hoofdje maar door elkaar schudden, dus ik zei tegen Rie ik ga een Bolderkar maken met zachte banden, en geloof me ik begon er meteen aan op zolder. Hij moest in onderdelen gemaakt worden voor het transport naar Domaso en s'winters moest hij opgeslagen worden onder de caravan van ons, dus ik begon er meteen aan op zolder. En toen wij weg gingen naar Domaso was hij klaar.

fIn Mei 1997 gingen Rie en ik vanuit Domaso, naar Porsiavo in Zwitserland om met de Glace expres, die een steile berg op gaat over de Bernina waar eeuwig sneeuw ligt, naar St. Moritz, en toen weer terug.

Nou dat was een belevenis, en we maakte mooie video opnamen er van.  Toen Colin in augustus in Domaso kwam lag hij heerlijk in zijn bolderkar.  We maakten een extra muggengaas er overheen, zodat er geen muskieten bij konden komen. Ik weet, hij kon nog niet praten maar ik zag aan zijn ogen dat hij zei dank je wel opa, wij worden vrienden. Had ik drie kleinkinderen die gek op ons waren.

Henk was dolgelukkig met zijn boot, en wilde Ben en Marloes waterskiën leren, nou die twee konden er meteen opstaan. Er werd weer veel geskied ook door Loek, die was het nog niet verleerd. We waren nu met 10 man en allemaal mee eten, ik had de tafel buiten weer verlengd, zodat we allen aan een tafel konden zitten, want wij vinden het heerlijk met ons allen eten.

In Dec.1997 hadden Petra en Maikel een reisje naar Disney Parijs geboekt voor Rie en Petra. Maikel zou dan op de kinderen passen. Nou die twee hadden het er heerlijk en bezochten ook de Buffalo Bill show waar ze niet over uitgepraat raakten.

dOp 6 Februari 1998 gingen wij met de hele familie naar Valkenswaard bugalopark Meerdal om ons 45 jarig huwelijk te vieren. Dat was eigenlijk pas op 6 augustus, maar omdat we dan in Domaso zijn, vierden we het al in februari.

We hadden 2 bungalows dicht bij elkaar gehuurd voor elk 5 personen en wij zorgden voor het eten. Nou dat was wat voor iedereen elke dag in het tropisch zwembad, want iedereen houdt van water en we hadden dan ook veel lol.

Ook Colin was veel in het water. Marloes en Ben mochten van ons sneeuw skiën, want de skihelling was nieuw, ook de honden waren mee. Het waren maar drie dagen maar we hebben erg genoten.

tIn Februari.1998 had Rie me gek gemaakt om ook naar Disney te gaan, maar ik wilde wel maar dan met de Uno. We hadden een hele fijne rit naar Parijs.

Op de snelweg van Frankrijk reden wij 120 km en toen werden we ingehaald door de T.G.V. die haalde ons in met zeker 150 km nou dat is een vreemd gezicht, en wij schrokken dan ook. Disney is niet alleen voor kinderen, want geloof me ik heb daar erg genoten

Ook de Buffalo Bill show dat is iets bijzonders. Tijdens de show krijg je te eten, aardappel puree, corn on the cob kip chili con carne, bier en cola zoveel als je wilt en warme appelgebak met ijs toe.

We wilden weer naar Italië toe en zoals altijd belden wij Gertie op om te vragen hoe het met Rudy was. Rudy was enkele dagen daarvoor overleden en of we geen bericht hadden gehad. Hij zou de volgende dag begraven worden, dus Rie en ik besloten om de volgende dag eerst naar Hannover te gaan en dan door naar Domaso. Om 11 uur was de begrafenis, wij daar nog wat gegeten en toen door via Kassel overnach ten bij het Bodenmeer en de volgende dag naar Domaso, dat was wel 1500 km . Henk kwam in Mei voor een week naar ons toe om zijn boot in orde te maken.

In Juli kwamen de kinderen met vakantie en Ben en Marloes gingen natuurlijk met Henk weer skiën. Colin zijn bolderkar was nog steeds een succes, hij klom er in en weer uit. We hadden weer een heerlijke vakantie. Petra en Maikel besloten dat het hun laatste jaar op de camping was en deden hun caravan weg.

In Augustus werd Rie op de camping niet lekker en ik zei we gaan naar huis naar de dokter. Dus alles snel ingepakt en weg. De dokter zei ze heeft een longinfectie. Met medicijnen was ze gelukkig weer na 10 dagen de oude. Maar we waren toch blij dat we naar huis waren gegaan. We waren nogal snel weggegaan en Rie zei zullen we niet teruggaan om alles schoon te maken? Nou dat was maar goed ook want de koelkast was dicht, en die had in het voorjaar van zelf de deur uitgewandeld. Wij bleven er nog twee weken en toen zijn we definitief weer naar huis gegaan.

Omdat Rie zo gauw weer beter was geworden, zei ik ga nog maar een keer met Petra naar Disney. Ze gingen in September met de bus naar Disney, maar hadden veel sneeuw onderweg. Gelukkig in Disney hadden ze zon. Op 6 November kwam Rie haar broer met kleindochter uit Australië, die vertrokken eerste kerstdag, en toen was het drukke jaar om.

Het is nu 1999 en we hopen nog veel te kunnen reizen.

Mussolini

Wij waren een keer in Dongo boodschappen aan het doen en wij kwamen bij een marktstalletje die er elke dag staat, ook nu nog, en nog steeds dezelfde man met wollen truien, en ik kwam er in gesprek met hem, hij was partizaan geweest in de oorlog en later in het Amerikaanse leger, en sprak goed engels. Die vertelde dat hij met zijn kameraden Mussolini hadden gevangen genomen, op datzelfde plekje waar hij nu nog staat, direct uit de tunnel. Een paar dagen later, toen ik er weer kwam vertelde hij dat al zijn kameraden dood waren behalve de manke marktmeester die tevens politie was in het dorp. Mussolini wilde vanuit Milaan via Como langs het Comomeer naar Zwitserland vluchten. Hij had een vluchtweg laten aanleggen in Domaso. Als je op de brug staat met je gezicht naar de waterval, was een pad, links waar je alleen te voet of met ezels naar boven kon. Naar Zwitserland was het drie uur lopen, maar nu terug naar Dongo. Mussolini kwam in een Duitse vrachtwagen met het Duitse leger uit de tunnel aangereden en werd door de partizanen gecontroleerd. Toen zij in de wagen keken zat daar een soldaat met glimmende laarzen en dat vertrouwden zij niet. Ze haalden hem eruit en toen zagen ze dat het de Duce was. Dat was een gouden vangst voor ze, de rest mocht doorrijden. En de schat? Dat weet niemand.

De partizanen hadden hun hoofdkwartier in Garzeno boven Dongo en brachten hem daar naartoe in afwachting op orders. Later brachten ze hem terug naar Dongo in afwachting op orders van bovenaf. Op het marktplein staat een hotel 3 Pevi waar ze hem beter onder controle hadden. Maar omdat dat zo lang duurde, werd besloten om hem dood te schieten. Hij werd meegenomen naar de waterkant achter een villa, en daar werd hij samen met Carla Petruci neergeschoten en naar Milaan terug gebracht en aan zijn voeten opgehangen aan een benzinestation als wraak wat hij de Italianen had aangedaan. Mussolini had geprobeerd een goudschat mee te smokkelen. Volgens overleving had hij het in het Comomeer laten verstoppen toen hij gepakt werd. Hoewel er veel gedoken is, is er nog steeds niets van de schat teruggevonden.

 

Motoren

1947

GZ-97742

Motorfiets

 

m

1954

GZ-97742

Motorfiets met zijspan

 

m

 

 

Auto's

1955 – NG-93-46

Citroën traction Avant

c

1961 – TT-92-59

Gogomobiel

g

1962 – SP-26-96

Renault Quatro

g

1963 – AH-63-21

Volkswagen Kever

vw

1965 – PJ-99-28

Volkswagen kampeerbus

vw

1966 – RG-61-11

Mercedes Benz 180

mb

1968 – 08-02-GT

Mercedes Benz 220

 b

1973 – 24-82-PS

Renault 16 TS

r

1977 – 84-BM-50

Ford Transit

f

1980 – 25-XX-29

Ford Taunus

f

1986 – LT-23-JH

Fiat Uno 55s 

u

1995 – FF-RB-73

Fiat Uno 60 ies 

u

1967 – Onbekend

Renault 4

 

1970 – Onbekend

Volkswagen bus buigcentrale

b

 

1975 – 52-EH-00

Ford Taunus  f

1980 – 92-HU-63

Peugeot

 

 

Caravans

1966

Sprite 400

c

 

1973

Sprite 400 Nieuw

 

1981

Sprite Alpine

 c

1987

Roller met voorbouw

  r

 


Boten

1970

Petra

Zelfbouw met 20 pk

 b

 

1972

Petra

Belg met 33 pk

 b

1976

Petra

Simms Super V14 met 55 pk

 s

 

1982

Marloes

met 4 pk

 b

1995

Marga

Italmarine met 7.5 pk

 b

 

 

 

Laatst bijgewerkt: 20.04.2007